|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Bram
Hoewel zijn vader en moeder om beurten riepen dat
hun jongen een goed stel hersens had, was Brammetje op school geen leerling die
voortdurend met een tien en een griffel thuiskwam. Integendeel: hij was een pure
wanhoop voor een ieder die educatief aan hem probeerde te sleutelen.
Hij ontspoorde al vroeg en veelvuldig
en op zijn zeventiende jaar was er geen instelling meer te vinden die haar
poorten nog voor Brammetje wilde openen. Alles wat ons lieve landje aan
pedagogische weerbaarheid kon mobiliseren - en dat is wat - had de strijd
opgegeven. Brammetje bleef wat hij was; geen denkertje maar een nijvere
opportunist, die pijlsnel reageerde op elke geboden kans. Let wel: alleen in de materiële
en seksuele sfeer, want andere interessen had Brammetje niet.
Op zijn achttiende trouwde hij met dispensatie een vijftienjarige dochter van
een handelaar in ongeregeld goed. Brammetje - inmiddels Bram geworden -
ergerde zich mateloos toen zijn jonge bruid, hoogzwanger en met een verwelkte
anjer tussen haar borsten, hinderlijk stond te giechelen tijdens het toespraakje
van de ambtenaar van de Burgerlijk Stand, die moeizaam uiteenzette hoe nobel en
zinvol de instelling van het huwelijk was. De echtverbintenis bleek dan ook geen
succes. Het werd 'catch-as-catch-can'; een lichamelijk en geestelijke
huwelijksworsteling waarbij veel, zo niet alles, was geoorloofd.
De verhouding tot zijn schoonvader lag veel beter. De man nam hem op in zijn
zaak. De relatie kwam tot grote bloei, toen Bram zijn gebrek aan eerbied voor de
rechten van zijn naasten doopt in de oude handel in ongeregelde goederen. De
zaak floreerde en ontwikkelde zich zo snel, dat al na een tiental jaren de
waarde van Brams bezittingen zich nog maar moeilijk liet schatten. Ik had de carrière
van Bram bijna op de voet gevolgd en wist wel zo ongeveer hoe alles was gegaan.
Van de week was ik bij hem. Een van zijn vele ondergeschikten had aangifte
gedaan van diefstal uit een van zijn magazijnen. Het spoor leidde algauw naar
een achttienjarige jongen, die mij onder tranen bekende dat hij tot zijn
diefstallen was gekomen omdat een vroege verkering ongewild was uitgegroeid tot
een voortijdig vaderschap, waaraan hij zich niet wilde onttrekken..
Er waren nogal wat analogen met Brams verleden en ik hoopte wat voor de jongen
te kunnen doen. Vanwege onze oude relatie ontving hij mij minzaam. Toen ik mijn
pleidooi had gehouden, schudde Bram resoluut het hoofd. 'Daar komt niks van in,'
schreeuwde hij bruut. 'Ik voel er niets voor om die jongen de hand boven het
hoofd te houden. Het is een dief, een ordinaire dief. Als hij daar nu al mee
begint, hoe moet dat dan later?
Ik was verbijsterd en onderdrukte een snel opkomende woede. Ik had hem willen
zeggen dat hij zijn hele leven lang anderen had bestolen, dat hij alleen door
intrige en bedrog rijk was geworden. Omdat men zulke dingen als rechercheur en
ambtenaar niet mag zeggen, draaide ik mij om en liep van hem weg. Bij de deur
keek ik nog even om. Hij zat daar achter zijn immens groot bureau,
onderuitgezakt, lui, dik, vadsig, een verse havanna in de mond.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|