Malle Freekie was niet mal. Hij werd enkel Malle
Freekie genoemd omdat hij zelfs in de ogen van de penoze de
vreemdste streken uithaalde. In een tijd dat nylonkousen nog niet
als camouflagemiddel werden gebruikt en bivakmutsen bleven waar ze
behoorden - in een bivak - vermomde Freekie zich met toupetjes,
pruiken, aangeplakte snorren, baarden en een listige make-up.
In een steeds wisselende camouflage pleegde hij
schrandere insluipingen en subtiele oplichtingen. Freekie was van
alle markten thuis.
Al voor zijn twintigste verjaardag was hij
overtredend door bijna het gehele Wetboek van Strafrecht gegaan.
Omdat het succes hem dikwijls toelachte, sloop na enige tijd in zijn
optreden een onvergeeflijke nonchalance binnen, die hem steeds weer
in de petoet bracht.
Hij was bij ons in de Warmoesstraat een graag
geziene gast. Wij vermaakten ons kostelijk met Malle Freek. Hij was
een levendig verteller en wanneer hij eenmaal tot een bekentenis was
gekomen, kende zijn openhartigheid geen grenzen. Gesteund door een
uitgebreid manuaal verhaalde hij van zijn vele kronkelgangen over
het brede pad van de misdaad.
Op den duur groeide tussen de rechercheurs en Malle
Freekie een vriendelijk sfeertje van 'ouwe jongens onder elkaar'. In
dat sfeertje was geen ruimte voor een formele aanpak. Als Freek weer
eens was gearresteerd zetten wij hem in ons midden en verheugden ons
bij voorbaat op zijn smeuïge bekentenissen.
Op een dag zei hij 'nee'. Hij ontkende met grote
stelligheid ook maar bij iets betrokken te zijn geweest. Hij
vertelde dat hij sinds kort een meisje had ontmoet, met wie hij
serieuze plannen had. Daarom had hij de misdaad resoluut de rug
toegekeerd.
Wij hadden dat 'nee' van Malle Freekie moeten
respecteren. Wij deden het niet, eenvoudig omdat geen van ons
geloofde dat Freekie in staat was het smalle pad der deugd te
bewandelen. Daarvoor was hij in onze ogen te uitbundig, te
crimineel.
Tijdens het geestelijke stoeipartijtje pakte een van
ons zijn pistool uit de lade van zijn bureau, richtte het lachend op
Freekie en zei: 'Als je nu niet bekent, schiet ik je hartstikke
dood.'
Het was een grap, meer niet, geheel passend in de
gemoedelijke olijkheid waarmee wij Freekie altijd hadden bejegend.
Malle Freekie glimlachte fijntjes en bekende. Het
was een sobere bekentenis van weinig woorden. Ook het manuaal
ontbrak.
Een maand later kreeg de betrokken rechercheur een
oproep om voor de rechtbank te verschijnen. Daar was ook Malle
Freekie.
Hij trok zijn bekentenis in. 'Waarom?' wilde de
president van de rechtbank weten.
Malle Freekie richtte een beschuldigende vinger naar
de rechercheur. 'Edelachtbare,' sprak hij timide, 'ik was bang voor
hem. Hij richtte een pistool op mij. Uit pure angst heb ik toen maar
bekend.'
De president was in alle staten. Woedend stortte hij
zijn toorn over de rechercheur uit. Hij vroeg zich op luide toon af
welke methoden de rechercheur wel bij zijn verhoren gebruikte, of
hij er een gewoonte van maakte zijn verdachten met pistolen te
belagen? De rechercheur trachtte stotterend tot een weerwoord te
komen. Het lukte niet.
Malle Freekie werd met veel strijkages van de
rechtbank vrijgesproken. Wij hebben hem nooit meer teruggezien.