Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 113

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 3
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Baaldag

 

Ik had er die ochtend weinig zin in. Ik had slecht en te kort geslapen dank zij een visite, die ondanks nauwelijks verholen gaappogingen maar niet had willen opstappen. Bovendien was het op de weg erg druk en hing ik meer dan een half uur in een file, voor ik duidelijk te laat op het bureau aankwam. Het was een onmiskenbaar begin van een baaldag.

Bij het doorkijken van de rapporten bleek dat ik er vijf op mijn lijstje had - vijf verdachten die ik diende te verhoren. Daarnaast lag nog een stelletje vervelende klachten. Toen ook de koffie uit de kantine niet te drinken bleek, legde ik het moede hoofd in beide handen en vroeg mij af waarmee ik al die jaren eigenlijk bezig was geweest.

Meer dan een kwarteeuw had ik de misdaad helpen bestrijden. En het resultaat? Nog nooit was Amsterdam zo misdadig. Mij bekroop het gevoel van een heilsprediker, die ondanks al zijn inspanningen de poel der zonde steeds groter en dieper ziet worden.

Mijn eerste klant was een grof gebouwde veertiger met een wilde haardos, die een steen door de ruit waarachter een prostituee zetelde had geworpen.

'Waarom?' wilde ik weten.

De man gebaarde met beide armen. 'Dat wijf... dat wijf kon er niks van. Maar dan ook helemaal niks. Honderd vijftig gulden heb ik haar betaald. Je mag toch van zo'n hoer verwachten dat ze er wat voor doet.'

'En dat deed ze niet?'

Hij schoof wat op zijn stoel heen en weer. 'Weinig, verrekt weinig. En toen ik mijn geld terugvroeg, smeet ze mij de deur uit.'

Ik knikte bedaard. 'En toen dacht u: Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.'

Hij keek mij verbaasd aan. 'Wat?' vroeg hij niet-begrijpend.

Ik wuifde mijn opmerking weg en maakte mijn procesverbaal af.

Mijn drie volgende klanten zaten in één proces-verbaal - drie mannen tussen de vijfentwintig en dertig jaar, die heel opgewekt een robbertje hadden gevochten, waardoor in een café nogal wat meubilair was gesneuveld.

De uiterlijke gevolgen van de knokpartij waren duidelijk waarneembaar. De kleren hingen in rafels om het lijf en de gezichten vertoonden bulten en verkleuringen die er beslist niet op thuishoorden.

Dat bleek ook de aanleiding. Na een kleine woordenwisseling had de een aan de ander gevraagd: 'Wil jij soms effe een ander gezichie?'

Omdat de vraag niet de strekking had voor een plastisch-chirurgische correctie, had de aangesprokene vast flink uitgehaald.

Toen nog een derde zich met het geval had bemoeid, werd het een soort catch-as-catch-can, tot de politie verscheen en het stel inrekende.

Mijn humeur had die morgen al duidelijke misantropische trekken, voor ik aan mijn laatste klant begon. Het was Henkie, een oude kraker, die ik al zo vaak onder verhoor had gehad dat ik de keren niet meer kon tellen.

Tussen mij en Henkie was in de loop der jaren een soort band ontstaan, die ruimte openliet de ambtelijke starheid wat te laten varen.

Ik ontlaadde mijn gekweld gemoed en stortte een donderpreek over hem uit. Nadat ik was uitgeraasd, keek hij mij verwonderd aan.

'Wees blij dat er mensen zoals ik bestaan.'

'Blij?' riep ik. 'Jullie bezorgen mij bergen werk.'

Hij knikte. 'Juist, dat bedoel ik. Als wij er niet meer zouden zijn, liep je morgen in de ww.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week