Ik had er die ochtend weinig zin in. Ik had slecht
en te kort geslapen dank zij een visite, die ondanks nauwelijks
verholen gaappogingen maar niet had willen opstappen. Bovendien was
het op de weg erg druk en hing ik meer dan een half uur in een file,
voor ik duidelijk te laat op het bureau aankwam. Het was een
onmiskenbaar begin van een baaldag.
Bij het doorkijken van de rapporten bleek dat ik er
vijf op mijn lijstje had - vijf verdachten die ik diende te
verhoren. Daarnaast lag nog een stelletje vervelende klachten. Toen
ook de koffie uit de kantine niet te drinken bleek, legde ik het
moede hoofd in beide handen en vroeg mij af waarmee ik al die jaren
eigenlijk bezig was geweest.
Meer dan een kwarteeuw had ik de misdaad helpen
bestrijden. En het resultaat? Nog nooit was Amsterdam zo misdadig.
Mij bekroop het gevoel van een heilsprediker, die ondanks al zijn
inspanningen de poel der zonde steeds groter en dieper ziet worden.
Mijn eerste klant was een grof gebouwde veertiger
met een wilde haardos, die een steen door de ruit waarachter een
prostituee zetelde had geworpen.
'Waarom?' wilde ik weten.
De man gebaarde met beide armen. 'Dat wijf... dat
wijf kon er niks van. Maar dan ook helemaal niks. Honderd vijftig
gulden heb ik haar betaald. Je mag toch van zo'n hoer verwachten dat
ze er wat voor doet.'
'En dat deed ze niet?'
Hij schoof wat op zijn stoel heen en weer. 'Weinig,
verrekt weinig. En toen ik mijn geld terugvroeg, smeet ze mij de
deur uit.'
Ik knikte bedaard. 'En toen dacht u: Wie zonder
zonde is, werpe de eerste steen.'
Hij keek mij verbaasd aan. 'Wat?' vroeg hij
niet-begrijpend.
Ik wuifde mijn opmerking weg en maakte mijn
procesverbaal af.
Mijn drie volgende klanten zaten in één
proces-verbaal - drie mannen tussen de vijfentwintig en dertig jaar,
die heel opgewekt een robbertje hadden gevochten, waardoor in een
café nogal wat meubilair was gesneuveld.
De uiterlijke gevolgen van de knokpartij waren
duidelijk waarneembaar. De kleren hingen in rafels om het lijf en de
gezichten vertoonden bulten en verkleuringen die er beslist niet op
thuishoorden.
Dat bleek ook de aanleiding. Na een kleine
woordenwisseling had de een aan de ander gevraagd: 'Wil jij soms
effe een ander gezichie?'
Omdat de vraag niet de strekking had voor een
plastisch-chirurgische correctie, had de aangesprokene vast flink
uitgehaald.
Toen nog een derde zich met het geval had bemoeid,
werd het een soort catch-as-catch-can, tot de politie verscheen en
het stel inrekende.
Mijn humeur had die morgen al duidelijke
misantropische trekken, voor ik aan mijn laatste klant begon. Het
was Henkie, een oude kraker, die ik al zo vaak onder verhoor had
gehad dat ik de keren niet meer kon tellen.
Tussen mij en Henkie was in de loop der jaren een
soort band ontstaan, die ruimte openliet de ambtelijke starheid wat
te laten varen.
Ik ontlaadde mijn gekweld gemoed en stortte een
donderpreek over hem uit. Nadat ik was uitgeraasd, keek hij mij
verwonderd aan.
'Wees blij dat er mensen zoals ik bestaan.'
'Blij?' riep ik. 'Jullie bezorgen mij bergen werk.'
Hij knikte. 'Juist, dat bedoel ik. Als wij er niet
meer zouden zijn, liep je morgen in de ww.'