|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 4 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1994 |
|
Giechelen
Hij kwam traag, aarzelend, de recherchekamer binnen;
een droefogige man met een oude vilthoed, waaronder aan beide zijden
wanordelijke plukken grauw-grijs haar. Ik schatte hem op voor in de
vijftig. In zijn te lange regenjas zag hij er wat slonzig uit. Hij
schuifelde naar mijn bureau, nam moeizaam plaats en keek naar me op.
‘Ze is weg.’
‘Wie?’ vroeg ik.
'Marie, mijn vrouw.'
'Waarheen?’
Hij spreidde de beide handen. ‘Dat weet God alleen. Ik bedoel, ik
weet niet waar ze is gebleven. Ze is weg... gewoon weg.’
'Zonder taal of teken?’
'Ja.'
'En nu wilt u haar opsporing verzoeken?’
" Precies, daar kom ik voor. Het is toch te gek dat een vrouw na
zeventien jaar huwelijk er plotseling vandoor gaat?’ Indachtig mijn
recherche-ervaring trok ik de schouders op.
'Heeft u kinderen?’ informeerde ik.
Hij schudde resoluut het hoofd. ‘Daar ben ik nooit aan begonnen.'
'Waarom niet?’
'Waar breng je ze voor groot? Bovendien is Marie als moeder
ongeschikt. Ze begrijpt niets van het leven. Ze is gewoon een domme
vrouw, een giechelding. Toen ik haar als jong meisje leerde kennen
giechelde ze al. Zo is het gebleven. Dat was ook het enige waar ze
goed in was... giechelen.'
Ik knikte begrijpend.
'Misschien een andere man in het spel?'
Hij grijnsde minachtend. 'Wie ziet er wat in Marie?'
'Ruzies samen?'
'Elke dag. Er ging geen dag voorbij of we hadden wel ergens bonje
over.'
Ik noteerde wat gegevens en bekeek de kleurenfoto, die de man van
zijn Marie had meegebracht. Daarna wuifde ik hem weg en beloofde
mijn best te zullen doen.
Na een reeks telefoontjes had ik haar gevonden. Ze was ingetrokken
bij een oudere zuster van haar in Noord. Ik toog erheen en ontmoette
een blozende, enigszins gezette vrouw met een vriendelijk open
gezicht en dikke, wat sensuele lippen. Ik zei haar dat haar man haar
opsporing had verzocht.
'Zeg hem maar dat ik nooit meer terugkom,' reageerde ze.
'Waarom?' vroeg ik.
Ze aarzelde even. 'U heb hem gezien,' legde ze uit. 'Toch geen man
om echt blij mee samen te wonen?'
'U hebt het zeventien jaar bij hem uitgehouden.'
Ze knikte traag. 'Dat is zo. Maar van de week zei hij dat hij het
niet meer kon opbrengen, dat hij niet meer bij me wilde slapen.Hij
is toen ook naar het logeerkamertje verhuisd Begrijpt u, na al die
jaren... dat was nu net nog het enige waarom ik bij hem bleef.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|