|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Onverbetelijk
Ik wil beslist wel in het goede in de mens geloven.
Ik doe daar altijd erg mijn best voor. En ik huldig zeker niet het
standpunt: eenmaal gestolen, altijd een dief. Toch heb ik soms mijn
twijfels.
Twee jonge dienders brachten hem de recherchekamer binnen: een lange
slungelige jongen, bleek, met sliertig piekerig blond haar en een
triest neerhangende snor. Ik schatte hem op voor in de twintig. Een
van de dienders knikte in zijn richting. 'Hij komt van de
Nieuwendijk. Daar hebben we hem gearresteerd. Op heterdaad. Hij had
in een kleine kledingzaak een greep in de kassa gedaan en een
briefje van vijfentwintig gejat.' Hij tastte in een zijzak van zijn
uniformjas en legde een verfrommeld bankbiljet van vijfentwintig
gulden voor mij neer. 'Hij had het nog in zijn hand, toen wij hem
pakten.' Ik knikte begrijpend. 'Had hij verder nog iets?'
De jonge diender schudde het hoofd. 'Wij hebben hem beneden
gefouilleerd. Niets. Hij heeft geen rooie cent bij zich.'
Ik keek de jongeman onderzoekend aan. 'Ook geen stuff?'
'Nee, ook geen stuff.'
Nadat de beide dienders vertrokken waren bood ik de jongeman een
stoel aan. Hij ging zitten, nerveus, ongeduldig. Zijn lange magere
vingers trilden.
'Heroïne?' vroeg ik schattend, want de ervaring heeft mij geleerd
een snelle diagnose te stellen.
Hij knikte gehaast. 'Horse.'
'En daar had je geld voor nodig?'
Hij knikte opnieuw en wees naar de telefoon op mijn bureau. 'Mag ik
even bellen?'
'Wie?'
'Mijn moeder.'
Om enige reactie uit te lokken, zei ik: 'Dat kost een kwartje.'
Hij voelde in zijn zakken. 'Dat heb ik niet.' Even leek hij uit het
veld geslagen, daarop wees hij naar het verfrommelde bankbiljet op
mijn bureau. 'Je hebt nu toch die vijfentwintig gulden . . . neem
het daar maar van af.'
Ik glimlachte zoetzuur en liet hem zijn moeder bellen. Hij babbelde
wat over later thuiskomen, zonder met een woord over zijn arrestatie
te reppen. Ik pakte een vel papier en nam een verklaring van hem op.
Nadat ik alles had genoteerd, belde ik mijn chef voor een
beslissing. Ik hoorde hem door de telefoon zuchten. 'Een
heroïneklant,' herhaalde hij. 'Stuur hem liever weg.'
Ik vertelde de jongeman van de beslissing. Hij stond gehaast op en
vertrok. Hij had amper de recherchekamer verlaten toen ik de
vijfentwintig gulden miste. Als een haas rende ik achter hem aan en
kreeg hem nog in de gang te pakken.
Hij had het bankbiljet zonder scrupules bij zich gestoken.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|