|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 6 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Gijzeling
Op een avond nam ik in de recherchekamer van het
bureau Warmoesstraat de telefoon op en kreeg een nerveuze man aan de
lijn. 'Ik ben student,' sprak hij opgewonden, 'uit Leiden. Ik heb
zojuist het bericht ontvangen dat mijn vriend George in Amsterdam
wordt gegijzeld.'
'Gegijzeld?' herhaalde ik verbaasd.
'Ja, en nu vraagt hij of ik naar Amsterdam wil komen met het
losgeld.'
'Hoeveel?' vroeg ik.
'Honderdzeventig gulden.'
Ik grinnikte onbeschaamd. Nietwaar, wat zijn heden ten dage nog
honderdzeventig gulden. Dat zijn vier flessen cognac, elf liter
jenever en ongeveer veertien kratjes pils. Ik bedoel, daar zet men
toch geen gijzelingsaffaire voor op touw. Het idee werkte op mijn
lachspieren.
De man aan de andere kant van de lijn bleef ernstig. 'Van die
honderdzeventig gulden moet ik er vijftig in losse guldens
leveren.'
'Waar?'
'Op het Damrak bij het Victoriahotel. Ik moet mijn grijze kostuum
aandoen met een rode stropdas en onder mijn linkerarm een opgevouwen
krant houden. George zal daar om tien uur zelf zijn om het geld in
ontvangst te nemen. Zijn gijzelaars houden hem echter sterk in de
gaten.'
Ik keek op de grote klok in de recherchekamer. Het was bijna negen
uur.
'En... gaat u?'
'Zeker, ik sta op het punt om weg te gaan.'
Ik lachte nog eens. 'U weet zeker dat het geen grap is?' Ik kreeg
geen antwoord. De man had opgehangen. Omdat de praktijk mij heeft
geleerd dat de zotste zaken vaak nog een kern van waarheid bevatten,
ging ik tegen tienen met een collega naar het Victoriahotel. We
stonden daar enkele minuten, toen vanaf het Centraal Station een man
kwam aanwandelen. Hij was gekleed in een onberispelijk grijs kostuum
met een rode das. In zijn rechterhand droeg hij een plastic zak en
onder zijn linkerarm had hij een opgevouwen krant geklemd. Een
jongeman in een leren jasje liep op hem toe en nam de plastic zak
van hem over. Ik vroeg aan mijn collega of hij de man in het grijs
naar het bureau wilde brengen. Ik ging achter de man in het leren
jasje aan. Hij liep naar de Martelaarsgracht en stapte daar een café
binnen. Er was geen gijzelaar te zien. De jongeman bestelde een
biertje, ging daarna met de plastic zak naar een gokautomaat en
begon daarin kwistig guldens te werpen. Ik ging terug naar het
bureau. Daar zat de man in het grijs zenuwachtig op mij te wachten.
'Is hij vrij?' vroeg hij angstig.
Ik knikte. 'En als u nog wat van uw losgeld wilt redden, moet u naar
het café aan de Martelaarsgracht gaan. Daar is uw vriend George
opgewekt bezig uw geld te vergokken.'
Het gezicht van de man in het grijs werd zo rood als zijn stropdas.
'Als dat waar is... wil ik aangifte doen van bedrog.'
Ik keek in zijn onnozele gezicht en schudde mijn hoofd.
'Het spijt me,' sprak ik gelaten. 'Runderen worden bij de wet niet
beschermd.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|