|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 9 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1997 |
|
Toen
Op zoek naar een locatie voor weer eens een nieuw
boek kwam ik terecht op het Haarlemmerplein. Ik zag tot mijn grote
voldoening dat de restauratie van de oude Willemspoort, door de
Amsterdammers steevast Haarlemmerpoort genoemd, gestaag vorderde.
Ik bewaar dierbare herinneringen aan dat oude monument. Vele jaren
heb ik in de directe omgeving van de Haarlemmerpoort gewoond. Als
kind deden we spelletjes tussen de pilaren. We schreeuwden daarbij
heel hard, omdat het inwendige van de poort zo zalig resoneerde.
Totdat een of andere knorrige diender uit het politieposthuis, dat
in de poort was ondergebracht, ons wegjoeg.
Naast de poort was een zogenoemde paardenbak. Dat was een rond,
gietijzeren gevaarte, dat aan de binnenzijde lichtgroen was
geschilderd en waarin steeds vers water stond voor de trekpaarden.
Paardenkarren vormden toen nog een wezenlijk onderdeel van het
stadsbeeld.
Op woensdag- en zaterdagmiddag waren we vrij van school. Wie erom
vroeg - en ik moest erom vragen -kreeg van de meester een badkaartje
voor een gratis bad in het badhuis aan de Polanenstraat. Het
ellendige was dat het badhuis al om vier uur sloot. Als ik op het
'opgespoten' land aan het einde van de Zaanstraat een partijtje had
gevoetbald, kwam ik steevast te laat. Om een pak slaag van mijn
moeder te ontlopen, stopte ik mijn hoofd in de paardenbak. Ik kwam
dan met druipend natte haren thuis, zodat het leek alsof ik
werkelijk het badhuis had bezocht. Ik herinner mij nog levendig het
moment dat moeder mijn bedrog ontdekte. Dat was op een zaterdag,
toen zij, ondanks mijn natte haren, in de borstzak van mijn kieltje
een ongebruikt badkaartje vond.
Mensen, mensen, wanneer ik de weelde van nu bekijk, wat waren wij
dan arm in die tijd. Mijn moeder, het lieve mens, deed alles, koken
en de hele was, op een driepitspetroleumstel. In de buurt kostte een
liter petroleum vijf cent. De 'concurrent', een soort drogist in de
Buiten Oranjestraat verkocht dezelfde petroleum een halve cent
goedkoper. Dat ik 's middags tussen schooltijd voor die halve cent
ruim vijfentwintig minuten moest lopen, achtte mijn moeder een
financiële noodzaak.
Om het gezin wat op te fleuren werd ik er 's zaterdagsavonds op
uitgestuurd om tegen sluitingstijd, dat was toen tien uur, bij Simon
de Wit op de Haarlemmerdijk voor vijf cent afsnijdsel te halen. Bij
het snijden van worst en fijne vleeswaren bleven er altijd wel
restjes over. Voor vijf cent kreeg je dan een zak vol van die
restjes mee. Voor ons een uitzonderlijke traktatie. Omdat we thuis,
ondanks de armoede, toch een zekere trots bewaarden, moest ik altijd
tegen de winkelbediende zeggen: 'Vijf centen afsnijdsel voor de
kat.' Er mocht vooral niet het idee worden gewekt dat wij zelf van
het afsnijdsel smulden.
Mijn vader had een zwakke maag en wanneer de restjes wel eens wat
vet waren, dan had hij daar last van. Op een zaterdagavond viel ik
uit mijn rol. 'Vijf centen afsnijdsel voor de kat,' riep ik tegen de
bediende, maar alstublieft niet zo vet, want vader is er vorige week
niet goed van geworden.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|