|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Onschuld
De twee agenten brachten het meisje binnen. Het was
een schattig kind met lang blond haar en twee helblauwe ogen in een
ovaal gezichtje. Zij blikte zo onschuldig naar mij op, dat ik met
enige verwondering aan de agenten vroeg wat zij had misdaan.
'Zij heeft een ring gestolen,' zei de oudste agent. 'Een zware
gouden verlovingsring. De juwelier is al onderweg om aangifte te
doen.'
Op dat moment kwam een wat gezette vijftiger de kamer binnen en nam
uitgebreid naast mijn bureau plaats. Hij wees naar het meisje. 'Ze
kwam bij mij in de zaak en wilde een verlovingsring passen. Ik liet
haar een keuze doen en zij zocht een van de zwaarste ringen uit. Wat
moet die kosten? vroeg zij. Ik keek het na. Het was tweehonderd
vijfenzeventig gulden. Ze zei dat ze niet zoveel geld bij zich had
en vroeg of ik de ring tot de volgende dag voor haar wilde
vasthouden. Dat beloofde ik en daarop verliet zij de zaak.'
De juwelier zweeg even. 'Ik zorg er altijd voor,' ging hij verder,
'dat de tableaus, waarin ik de ringen bewaar, vol zijn. Dat is
gemakkelijk, dan kan ik direct zien of er een ring verdwenen is. Het
zal u verbazen, maar toen het meisje wegging was het tableau vol.
Met uitzondering natuurlijk van de ring, die ik voor haar opzij had
gelegd.'
Hij zuchtte diep. 'Toch zag ik dat ze een ring had gestolen, want
bij het terugzetten van het tableau ontdekte ik tussen de ringen er
plotseling een met een afwijkende glans. Bij het testen bleek het
een koperen ring te zijn. Je kunt die dingen tegenwoordig in elke
bazaar kopen.'
Ik blikte van de juwelier naar het meisje. Zij liet het hoofd wat
zakken. Het blonde haar viel als een sluier om haar gezicht.
'Wij willen ons verloven,' sprak zij zacht. 'Ik ben al een tijdje
zonder werk en Henk verdient niet veel. Wij hebben eigenlijk geen
geld voor ringen.'
'Dus kwam je op het idee een koperen ring voor een gouden te
verwisselen?'
Zij richtte het hoofd wat op en knikte. Uit haar blauwe ogen gleed
een traan, drupte via haar wang op de rug van haar hand. Zij zat
daar zo triest, zo zielig en zo onschuldig, dat ik bezield raakte
van medelijden.
'Heb je die ring nog?'
Zij draaide zich kuis om en frommelde aan haar bloesje. Vanuit een
intiem plekje gaf zij mij een gouden ring. Ik liet hem aan de
juwelier zien.
'Dat is hem,' zei hij.
Ik keek hem hoopvol aan. 'Nu u de ring terug hebt, wilt u nu nog
aangifte doen?'
De juwelier trok de schouders op. 'Och,' zei hij, 'van mij hoeft het
niet.' Hij stond op en stapte met zijn ring de kamer uit.
Ik keek het meisje bestraffend aan. 'Niet meer doen,' zei ik.
Ik was net van plan haar vrij te laten, toen een vrouwelijke agent
de recherchekamer binnenstapte. 'Wil je haar nog even fouilleren?'
vroeg ik. 'Het is meer een formaliteit'
Zij nam haar mee naar een kamertje. Het duurde wat lang, vond ik.
Toen de vrouwelijke agent terugkwam, had zij een beursje in haar
hand. Zij schudde de inhoud ervan over mijn bureau uit. Er rolden
ringen naar alle kanten. Het waren er twaalf. . . zeven koperen en
vijf gouden.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|