Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 29

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 2
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

De arme zakkenroller

 

Ze kwam groot, breed, de recherchekamer binnenstuiven, tranen in de ogen, twee kinderen in haar kielzog. 'Ik ben bestolen.' 
Ze liet zich zakken op de eerste de beste stoel die binnen haar bereik was en hijgde rondborstig na. De beide kinderen schaarden zich aan haar zijde: zwijgende paladijnen met witvertrokken gezichtjes. 'Ze hebben mijn portemonnee gerold.'
'Waar?'
Ze gebaarde met het hoofd. 'In het warenhuis.' 
Ze hield haar boodschappentas omhoog: een soort omgekeerde biezen zomerhoed met hengsels en een bloemmotief. 'Hier zat hij in.'
Ik knikte begrijpend. 'Een aantrekkelijke tas voor zakkenrollers,' zei ik. 'Ze kunnen er van alle kanten bij.' 
Ze schudde triest het hoofd. 'Ik let altijd zó goed op. Ik kijk wel honderd keer of ik hem nog heb. Het is mij nog nooit gebeurd. Voor ik wegging heeft mijn man me nog gewaarschuwd. Pas op je portemonnee, zei hij.' Ze trok een droeve grimas. 'Als ik straks thuiskom, zal hij wel tegen me tekeergaan.'
'Zat er veel in?'
Ze knikte met overtuiging. 'Haast tweehonderd vijftig gulden.' 
'Toe maar.'
Ze glimlachte vreugdeloos. 'Mijn huishoudgeld voor twee weken. Als ik die vent te grazen krijg...' 
'U hebt iemand gezien?'
Ze gebaarde wat vaag voor zich uit. 'Een blonde vent van een jaar of dertig, vijfendertig. Hij scharrelde wat raar achter ons aan.
'Heeft u gezien dat hij met zijn handen in uw tas zat?'
Ze grijnsde breed. 'Nee... Dan-was-ik-hem-u-wel-even-komen-brengen.'
In haar stem klonk zoveel venijn, dat ik ervan schrok.
Ik keek naar haar handen, die op haar schoot de tas omklemden. De vingers waren kort, dik, gespierd, de polsen onvrouwelijk zwaar.
'U kunt dus niet met stelligheid zeggen dat die blonde man de dader is?'
'Nee,' zei ze met een zucht, 'dat kan ik niet. Maar ik... voor mij... ik geloof dat die vent mijn portemonnee heeft.'
Ik trok mijn schrijfmachine naar me toe. 'Hoe is uw naam?'
Dirksen... Jansje Dirksen.'

 

Het was in een korte tijd mijn twaalfde of dertiende aangifte van zakkenrollerij. Het was om dol van te worden. En de stroom hield niet op. Elke zaterdagmiddag was het raak. Dan kwamen huilende vrouwen vertellen dat ze hun portemonnee kwijt waren. In vrijwel alle gevallen wisten ze niet hoe het was gekomen. Plotseling stond hun tasje open en was hun portemonnee weg. Van de dader... geen spoor. 
De zakkenrollerij vormt voor de recherche een groot probleem. Een zakkenroller is een gewiekst man met een snel inzicht in de gedragingen van zijn aanstaand slachtoffer. Hij kiest het zorgvuldig uit, observeert het voor hij toeslaat.
Zijn bestaan is gebaseerd op de vingervlugheid van hem zelf en de onoplettendheid van zijn medemensen. Het bewijs tegen hem is moeilijk te leveren. De enige mogelijkheid om een zakkenroller te vatten, is hem op heterdaad te betrappen. En dat is geen eenvoudige zaak. Zelf waakzaam, onderkent hij onmiddellijk de waakzaamheid van anderen. En voor rechercheurs... Voor rechercheurs heeft hij een bepaald instinct. Hij ruikt hen... hij ruikt hen al op afstand. 

 

Op een sombere zaterdagmiddag werd Gerrit-Jan de Vries het oude politiebureau aan de Warmoesstraat binnengebracht. Twee stevige dienders hielden hem in toom. 
Voor de balie ontstond onmiddellijk een hevig tumult. Gerrit-Jan getuigde gloedvol van zijn onschuld en had ter ondersteuning van zijn betoog de armen nodig, waaraan de agenten hem vasthielden. Het werd een wilde vertoning. Op een wenk van de brigadier lieten de agenten hem los. Gerrit-Jan kwam nu eerst goed op dreef. Hij onderstreepte zijn woordenvloed met brede armgebaren, hij betoogde steeds opnieuw hoe onschuldig hij wel was en hoe stom de agenten hadden gehandeld om hem - de onnozele - naar de Warmoesstraat te slepen.
Toen de brigadier niet geïmponeerd bleek, stelde hij zuchtend vast dat elke gerechtelijke dwaling nu eenmaal op een politiebureau begon.
Wat achteraf, bij de muur, stond een fragiel oud vrouwtje. Ze keek van over haar metalen brilletje wat onthutst naar het toneel dat Gerrit-Jan voor de balie opvoerde. 
'Ik heb het toch echt gezien, hoor,' prevelde ze voor zich uit. 'Ik heb het toch echt gezien.' 
Toen de wachtcommandant alles in zijn boek had geschreven, kreeg ik de zaak in behandeling. 
Het bleek dat het oude vrouwtje in het warenhuis alarm had geslagen. Er waren mensen toe gelopen en op haar aanwijzing was Gerrit-Jan de Vries gepakt. 
Ze keek me trouwhartig aan. 'Ik heb het echt gezien, hoor. Gelooft u me. Ik heb het echt gezien.' 
'Wat?' vroeg ik.
'Hij zat met zijn hand in mijn tasje.' 
'Stond uw tasje open?'
Ze verschoof iets op haar stoel. 'Ja, kijk, ziet u... ik keek even naar een jumpertje voor mijn kleindochter. Ze is overmorgen jarig. En nu hebben ze daar van die leuke...' 
'Ja, ja,' onderbrak ik haar, 'wat gebeurde er?' 
'Nou, ik stond bij dat rek en plotseling voelde ik iets aan mijn arm. Ik dacht: Wat moet dat? Ik draaide me direct om en toen zag ik die man met zijn hand in mijn tas.' 
'En toen?'
'Toen ben ik hard gaan roepen. Houd de dief! riep ik. Ziet u, ik dacht dat hij mijn beursje had.' 
'En dat was niet zo?'
Ze schudde het hoofd. 'Het zat er nog in.' 
Ze knipte haar handtas open en nam daaruit een ouderwets kralenbeursje met een fraai bewerkte zilveren beugel. Ze glimlachte vertederd. 'Is nog een erfstuk van mijn ouwe grootje.'
'Hij heeft dus niets gestolen.' stelde ik vast. 
De uitdrukking op haar gezicht veranderde op slag. Ze schoof het metalen brilletje wat hoger op de neus en kneep de dunne lippen op elkaar. 'Hij zat met zijn hand in mijn tas.' riep ze fel. 'Ik heb het echt gezien.' 
Ik knikte haar toe. 'Ga maar fijn naar huis,' zei ik zoet, vriendelijk. 'Ik zal de zaak wel onderzoeken.' 
Ze keek me wat wantrouwend aan en schuifelde toen de kamer uit. Halverwege draaide ze zich om. 
'Je laat je door die vent niks wijsmaken. Hij vertelt smoesjes, hoor je, smoesjes. Ik heb het echt gezien.' 
Mopperend liep ze de deur uit.
Ik had de waarschuwing van het oude vrouwtje niet nodig. Ik kende De Vries. Gerrit-Jan was een erkend zakkenroller. Ik had meer met hem te doen gehad en wist dat ik het niet gemakkelijk zou krijgen.
Ik liet hem naar het verhoorkamertje brengen. Hij trok onmiddellijk tegen me van leer.
'Waarvoor zit ik hier?' schreeuwde hij. 'Dit is pure vrijheidsberoving. Jullie hebben geen recht me vast te houden. Ik heb niets gedaan.'
'Je hebt geprobeerd het oude vrouwtje haar beursje te stelen,' zei ik kalm.
Hij grijnsde. 'Ik weet hoe jullie denken... Eenmaal gestolen, altijd een dief. Zo is het toch?' 
Ik haalde mijn schouders op. 'Je zat met je hand in haar tasje.'
Hij ging staan, gebaarde wild, emotioneel. 'Ze heeft aderverkalking. Dat oude mens is in de war. Ik zag haar tasje openstaan en toen...'
'En toen dacht je, laat ik haar beursje wegnemen, vóór een ander het doet.'
Hij schudde heftig het hoofd. 'Nee... nee. Ik wilde het oude mens alleen maar waarschuwen. Maar ze begon als een varken te schreeuwen. Ik ben toen maar weggelopen.' 
'Waarom?'
'Ik dacht... ik dacht, straks zeggen ze nog dat ik haar beursje wilde stelen.' Hij ging weer tegenover me zitten. 'Ik bezweer het u. rechercheur,' zei hij vettig. 'Ik was niet van plan iets te gappen. Ik wilde het oude mens alleen waarschuwen dat haar tasje openstond. Meer niet. Geloof me nu eens een keer. Een mens kan zijn leven toch beteren, is het niet?'
Ik boog het hoofd, krabde achter in mijn nek. Ik kon wel ophouden. Als hij in de zelfde formule doorging, zou hij op het laatst in zijn eigen onschuld gaan geloven. Ik wist hoe Gerrit-Jan was. Bekennen zou hij nooit. En met het oude vrouwtje als enige getuige van wat hoogstens een 'poging' tot zakkenrollerij zou opleveren, maakte ik weinig kans hem voor de rechter te brengen. 
Innerlijk was ik ervan overtuigd dat hij verantwoordelijk was voor al de zakkenrollerijen van de laatste weken. Ik bepeinsde wat ik nog kon doen. 
Plotseling dacht ik aan mevrouw Dirksen... Jansje Dirksen. Als zij Gerrit-Jan zou kunnen herkennen als de man die steeds achter haar aan had gelopen voor ze bemerkte dat haar portemonnee was gestolen, dan kon dit - hoewel op zich geen bewijs - mijn zaak tegen de halsstarrige zakkenroller steunen.
Ik verzocht haar naar de Warmoesstraat te komen en arrangeerde een confrontatie. Ik plaatste Gerrit-Jan in een rij te midden van een achttal mannen van ongeveer de zelfde lengte en het zelfde postuur. Van een afstandje liet ik haar naar de mannen kijken.
'Nou?' vroeg ik na een poosje. 
'Het is de derde van links.' fluisterde ze. 
Ik glimlachte. Het was inderdaad de derde van links. Maar dat zei ik haar niet. 'U weet het zeker?' vroeg ik. 
Ze knikte met een strak gezicht.
'Mooi,' zei ik, 'dan kunt u nu weer gaan. Hartelijk dank voor uw komst.'
Ze aarzelde, staarde voor zich uit. 'Mag ik...' vroeg ze weifelend, 'mag ik hem ook nog even van dichtbij zien?' 
'Maar natuurlijk,' zei ik nietsvermoedend. 
Langzaam, in een wat slepende tred, liep ze op de mannen toe. Ik slenterde achter haar aan. Bij Gerrit-Jan bleef ze staan en keek hem in het gezicht. 
Hun blikken kruisten.
Plots, in een vloeiende, flitsende beweging, stootte ze de rechtervuist naar voren. Het gebeurde zo snel, zo deskundig, dat ik noch een van de andere rechercheurs in de kamer tijd had om te reageren.
Haar vuistslag trof Gerrit-Jan vol op de kaak. Het gaf een zacht, dof geluid. Een moment staarde de zakkenroller wezenloos in het niets. Toen begon zijn lichaam langzaam te zwaaien en zakte met een plof op de vloer... Groggy, volkomen groggy.
In de algemene verwarring ontkwam Jansje Dirksen. Ik heb haar nooit meer gezien. 
En Gerrit-Jan?
Nadat hij was bijgekomen bekende hij braaf de zevenentwintig gevallen van zakkenrollerij, die hij de laatste drie maanden had gepleegd.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week