|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 8 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1996 |
|
De Cock en de grijnzende wurger
Rechercheur De Cock van het aloude politiebureau aan
de Amsterdamse Warmoesstraat trok met een wrevelig gebaar een
proces-verbaal uit zijn schrijfmachine en wierp het in een lade van
zijn bureau. Hij kwam uit zijn stoel overeind, slenterde naar het
raam en bleef daar staan, zacht wiegend op de ballen van zijn
voeten.
Dick Vledder, zijn jonge collega en trouwe hulp, liep op hem toe. Op
zijn gezicht lag verbazing.
'Geen zin meer?'
De oude rechercheur bromde.
'We brengen veel te veel tijd achter die schrijfmachine door.'
'Wil je dat veranderen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Elke rechercheur zijn eigen secretaresse.'
Vledder lachte vrolijk.
'Een mooie met een uitbundige buste.'
De Cock negeerde de opmerking.
'Wij zouden als rechercheur meer vrijheid van handelen moeten hebben
en niet steeds gedwongen moeten zijn om elke stap die wij doen, elke
actie die wij ondernemen, in rapporten en processen-verbaal te
verantwoorden. De huidige advocaten zeuren direct over
on-recht-ma-tig verkregen bewijs en dat soort onzin meer. Bewijs is
volgens mij bewijs... niets meer en niets minder. Zolang wij geen
tortuur toepassen...' Hij maakte zijn zin niet af en wees voor zich
uit. 'Daar, aan het eind van de steeg is Ons' Lieve Heer op Solder,
het mooiste en lieflijkste museum dat ik in Amsterdam ken. Maar om
er vanuit dit bureau te komen, moet ik door die steeg en die is
genoemd naar Heintje Hoeks, in zijn tijd een vervaarlijke en uiterst
sluwe zeerover.'
Hij spreidde zijn handen. 'Daarin schuilt een brok symboliek.'
'Waarvan?'
'Van ons werk... van ons werk als rechercheur. Om ons doel te
bereiken zouden wij de vrijheid moeten hebben om desnoods over
vreemde wegen te gaan.'
Vledder keek hem beteuterd aan.
'Ik begrijp je niet.'
De Cock zuchtte.
'Jaren geleden behandelde ik eens een inbraak, een inbraak in een
groot magazijn van bontmantels. Echt, en mooie kraak. Niet ruw en
onbehouwen, maar goed en degelijk uitgevoerd. Vroeger had je nog
inbrekers die hun vak verstonden.
Uit mijn onderzoek bleek dat uit het grote magazijn alleen de
duurdere mantels waren gestolen: hermelijnen en nertsen. Men was
heel selectief te werk gegaan. De mindere bontsoorten had men laten
hangen.
Ik kende in het wereldje van de penoze maar één man die iets van
kraken... én van bont afwist. Dat was Handige Henkie. Ik ging naar
hem toe en zei hem dat ik hem verantwoordelijk achtte voor die
kraak, en stelde hem voor om mij de bontmantels terug te geven.
Henkie lachte mij vierkant uit en vroeg: Waar is je bewijs?'
'Dat had je niet.'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Nee, bewijs had ik niet. Ik nam hem toch mee naar het bureau voor
een verhoor. Het leverde niets op. Het enige commentaar van Henkie
was: Bewijs het mij maar. Uiteindelijk bracht ik hem naar de cel en
dacht na. Ik kwam op een idee. Ik belde de eigenaar van het magazijn
op en vroeg hem of hij mij een partij bontmantels kon bezorgen van
dezelfde kwaliteit als die bij hem was gestolen. Dat kon, en nog
dezelfde middag bracht hij mij de mantels. Hier, in de
recherchekamer, smeet ik ze wat onverschillig op een paar tafels en
haalde Handige Henkie uit zijn cel. 'Nou,' zei ik, wijzend naar het
bont, 'heb je nog wat te zeggen?' Henkie slikte. 'Gut,' zei hij,
'heb je ze toch gevonden?"
Vledder schaterde het uit.
'Prachtig.'
De Cock knikte.
'Maar tijdens de terechtzitting,' sprak hij somber, 'ging de
advocaat van Henkie furieus tegen mij tekeer. Volgens hem had ik als
rechercheur onwettelijke en ongeoorloofde middelen gebruikt.'
'Dacht Henkie er ook zo over?'
De Cock glimlachte.
'Toen Henkie de waarheid vernam, vond hij het wel een goede mop. Hij
werd later ook mijn vriend. Toen hij zijn straf had uitgezeten, gaf
hij mij te kennen dat hij op het rechte pad wilde.' De oude
rechercheur grinnikte. 'Ik heb hem toen een baantje als
magazijnmeester bezorgd... in datzelfde magazijn waar hij had
ingebroken. Hij werkt daar nog.'
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder stapte naar
het toestel, nam de hoorn op en luisterde. De oude rechercheur zag
hoe het gezicht van zijn jonge collega verbleekte. Hij liep op hem
toe.
'Wat is er?'
In zijn stem trilde onrust.
Vledder legde de hoorn op het toestel terug.
'Ze hebben een hoertje gevonden.'
'Dood?'
Vledder knikte.
'Gewurgd.'
Zwarte Annie lag op haar rug. Poedelnaakt op haar
peesbed. (bed waarop een prostituee haar klanten behandelt)
Haar linkerbeen was iets opgetrokken. Haar bruine ogen, in haar iets
gezwollen gelaat, waren wijd opengesperd. Om haar slanke hals zat
een strakgetrokken stropdas... rood, en van een opvallend design.
De Cock boog zich over de dode heen en ontdekte felle
strangulatiestriemen. De oude speurder had in zijn lange loopbaan
bij de Amsterdamse recherche vele slachtoffers van een verwurging
gezien. Hij had hun autopsie door dokter Rusteloos bijgewoond en
wist dat in het strottenhoofd van Zwarte Annie vele
kraakbeenringetjes waren gebroken.
Hij kwam weer overeind en ontdekte naast het peesbed een gebruikt
condoom. Hij wenkte Vledder naderbij.
'Laat alles fotograferen en als straks Ben Kreuger van de TOHD
(Technische Opsporings- en Herkenningsdienst) komt, laat hem dan dat
condoom meenemen voor het laboratorium. Misschien zitten er nog een
paar schaamharen in en heeft de moordenaar een bijzondere
bloedgroep.' Hij draaide zich half om en wees naar het lijk. 'En
vraag of hij die stropdas, zonder er met zijn handen aan te komen,
het liefst met een tang, in een plastic zak wil stoppen. Ik moet nog
eens nadenken wat ik ermee kan doen. Misschien komen we nog eens tot
een sorteerproef met een speurhond.'
Vledder keek naar hem op.
'Ga jij dan weg?'
De Cock wuifde omhoog.
'Ik ga even praten met Brabantse Truus. Zij is de eigenares van dit
pandje.' Hij wierp nog een blik in het dode gezicht, voelde een
lichte emotie van verdriet en slenterde het kamertje af.
Brabantse Truus zat ontdaan in haar fauteuil. Haar
gezicht was bleek, met rode oogranden. Ze had gehuild.
Toen De Cock haar woonkamer binnenstapte, stond ze op.
'Dat moet die vent zijn geweest,' sprak ze snel. 'Het is vandaag
toch vrijdag? Nou, dan komt zo rond deze klok altijd dezelfde vent
bij Annie op bezoek.'
'Wat voor een vent?'
Brabantse Truus trok haar schouders op.
'Een vent... nogal een poenige kerel... rijk, denk ik. Hij rijdt
altijd in een slee van een wagen. Hij is een vaste klant van Annie
geworden. Ik heb hem nu al een paar weken achter elkaar op vrijdag
zien komen.'
'Ook vandaag?'
Ze schudde haar hoofd.
'Nee, vandaag niet. Ik moet je eerlijk zeggen, De Cock, dat ik er
vandaag niet op heb gelet. Ik heb van de week nogal wat sores aan
mijn kop.'
'Wat voor auto heeft hij?'
Brabantse Truus trok opnieuw haar mollige schouders op. 'Ik ken die
auto's niet uit elkaar.' Ze schuifelde op haar sloffen naar de
schoorsteenmantel. 'Ik heb wel zijn kenteken... hier, op een
papiertje. Dat heb ik vorige week opgeschreven.'
'Waarom?'
'Zomaar, omdat die vent mij niet aanstond.'
De Cock nam het papiertje van haar aan. Het was een hoekje van een
krant gescheurd. De oude rechercheur bekeek het kenteken en wees
naar de telefoon.
'Mag ik even bellen?'
Toen De Cock weer beneden kwam, droegen de broeders
van de Geneeskundige Dienst het dode lichaam van Zwarte Annie op een
brancard naar hun ambulancewagen. Ze schoven haar naar binnen,
sloten de achterdeuren en reden weg.
De oude rechercheur liep op Vledder toe.
'Zijn ze allemaal geweest?'
Vledder knikte en overhandigde hem een plastic zak.
'Hier heb je de stropdas.'
Ze slenterden vanuit het pandje van Brabantse Truus over de
Achterburgwal terug naar de kit. Een leger van behoeftigen trok
schuifelend aan de heertjes in het roze licht voorbij. Zwarte Annie
was dood. De business ging gewoon door.
Het was druk in de Lange Niezel. Voor de seksshops vergaapten
groepjes giechelende toeristen zich aan wouden van kunstpenissen en
opblaasvrouwen. Voor de peepshow stonden mannen in de rij.
In de Warmoesstraat stapten de rechercheurs het politiebureau
binnen. In de hal, voor de balie, bleef De Cock staan. Hij tastte in
de binnenzak van zijn colbert en nam daaruit zijn aantekenboek. Na
enig nadenken scheurde hij er een velletje uit en gaf dat aan
Vledder.
'Arresteer die man.'
De jonge rechercheur las hardop.
'Gerardus van Aardenburg.' Hij keek naar De Cock.
'Is dat de moordenaar?'
De oude rechercheur gebaarde wat vaag in de ruimte.
'Hij is verdachte.'
Brabantse Truus had gelijk. Gerardus van Aardenburg maakte een
poenige indruk. De Cock keek hem scherp observerend aan. Hij had een
rond, glimmend gezicht, waarin de groene ogen bijna achter rode,
bolle wangen schuilgingen. De oude rechercheur had hem enige uren in
de cel laten afkoelen voor hij aan zijn verhoor begon.
'U kende Zwarte Annie?' opende hij voorzichtig.
Gerardus van Aardenburg zwaaide met zijn arm.
'Ja, ik heb die hoer gekend. Maar wat zegt dat? U hebt geen enkel
recht om mij hier vast te houden. Ik ben onschuldig. Ik heb dat kind
niet omgebracht.'
'U kwam toch elke vrijdag bij haar?'
Gerardus van Aardenburg knikte.
'Sinds een paar weken.' Hij zwaaide opnieuw. Heftig. 'Maar vandaag
niet. Ik ben vandaag niet bij haar op bezoek geweest. Ik heb ook een
alibi.'
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
'Een alibi kan men kopen... als men rijk is. En als ik goed ben
geïnformeerd, dan bent u een gefortuneerd man.'
Van Aardenburg schudde zijn hoofd.
'Ik zeg geen woord meer... geen woord voor ik met mijn advocaat heb
gesproken.'
De Cock knikte gelaten.
Hij probeerde nog een paar maal door de ontkenningen van de man heen
te komen. Toen dat niet lukte, liet hij hem naar zijn cel
terugbrengen en dacht na. Na een halfuurtje had hij een idee. Toen
hij het had uitgewerkt, wenkte hij Vledder.
'Ik had gehoopt op een vlotte bekentenis,' sprak hij somber. 'Ik zie
die bekentenis niet komen en juridisch gezien hebben we ook geen
been om op te staan. Bel de wachtcommandant, zeg hem dat hij Van
Aardenburg rijn spulletjes van de fouillering teruggeeft en dat hij
hem in vrijheid stelt.'
Toen Vledder had gebeld en de hoorn had neergelegd, vroeg De Cock
zijn jonge collega of hij hem wilde volgen.
Snel daalden ze de trappen af en liepen het bureau uit. Op de hoek
van de Heintje Hoekssteeg bleef De Cock staan.
'Wat doen wij hier?' vroeg Vledder.
'Wachten tot Van Aardenburg het bureau uitkomt.'
'En?'
'Ik ben benieuwd of hij een stropdas om heeft.'
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
'Hij droeg een stropdas toen ik hem arresteerde.'
De Cock knikte. Hij stak zijn hand in een zijzak van zijn colbert en
trok daar een deel van een stropdas uit.
'Deze, deze had hij om.'
Van Aardenburg liep het politiebureau uit. Op zijn vet gezicht lag
een grijns. Vledder hijgde.
'Hij draagt een stropdas.'
In zijn stem vibreerde ongeloof.
Om de mond van De Cock speelde een flauwe glimlach.
'Arresteer hem opnieuw. Het is de stropdas waarmee Zwarte Annie werd
gewurgd. Ik heb ze in het kistje van de fouillering verwisseld.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|