|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Fouilleren
Wij zijn blij met onze vrouwelijke collega's. Vooral
de jongere agenten. Er zijn er nogal wat die in de politiedienst hun
levensgezellin hebben gevonden.
Na een aarzelend begin zijn de vrouwen niet meer uit ons korps weg
te denken.
Toen zij pas hun intrede in het korps hadden gedaan, werden zij op
het hoofdbureau van politie, keurig van de mannen gescheiden, in een
paar gelijkvloers gelegen kamers opgeborgen. De leiding werd in
handen gelegd van een oudere brigadier met een ijzersterk huwelijk.
Hij kreeg prompt de titel harembewaarder.
Sindsdien is er veel veranderd. Aanvankelijk waren er alleen vrouwen
bij de kinder- en zedenpolitie. Nu draaien zij volledig in de dienst
mee. In elk district zijn vrouwelijke collega's werkzaam, met
uitzondering van de Warmoesstraat.
De korpsleiding heeft het nog niet aangedurfd vrouwen in ons
district te laten surveilleren. Er zijn vrouwelijke agenten die dit
discriminerend vinden, in strijd met de emancipatiegedachte. Mij
lijkt het een wijs besluit. Het is nogal ruw en rumoerig in en om
het politiebureau aan de Warmoesstraat.
Maar een enkele keer komen ze ... om te fouilleren. Het is
voorschrift dat elke arrestant aan het bureau wordt gefouilleerd.
Bij mannelijke arrestanten is dat aan de Warmoesstraat geen
probleem, maar wanneer vrouwen tot op het lijf moeten worden
bekeken, stuit men toch op ethische, morele en weet-ik-veel
bezwaren.
Vroeger woonde schuin tegenover het politiebureau aan de
Warmoesstraat de oude mevrouw Bolmers. Zij fouilleerde de
vrouwelijke arrestanten. Zij kreeg daarvoor slechts een schamel
bedrag. Toch was zij er erg goed in. Als mevrouw Bolmers zei dat de
vrouwelijke arrestant niets bij zich had dat voor het onderzoek van
belang was, dan kon men daarvan op aan.
Zij onderzocht bij de vrouwen elk plekje, hoe intiem ook.
Prostituees hadden wel de gewoonte geroofd geld in hun
geslachtsorgaan te verstoppen. Bij mevrouw Bolmers hadden zij geen
schijn van kans.
De slechtere vrouwen van de Wallen hadden een hekel aan haar. Zij
scholden haar uit, spuwden haar in het gezicht. Het deerde mevrouw
Bolmers niet. Zij was fouilleerster en deed haar werk.
Op een dag kwam er een order dat vrouwelijke arrestanten in het
vervolg door vrouwelijke agenten dienden te worden gefouilleerd. Het
oude instituut van 'fouilleerster' werd opgeheven.
Onze legendarische brigadier Ome Jaap Westerdorp, een Zeeuw doch
vergroeid met het bureau Warmoesstraat, had een prostituee laten
oppakken die ervan werd verdacht een klant te hebben beroofd.
De prostituee dompelde zich in onschuld, maar Ome Jaap was ervan
overtuigd dat de vrouw het geld nog bij zich had. Hij vroeg voor de
fouillering aan het hoofdbureau een vrouwelijke agent.
Zij kwam . . . een lief blond kind uit het noorden des lands, pas
van de politieschool.
Ome Jaap bracht haar bij de prostituee in een kamertje en deed de
deur achter haar dicht. Na tien minuten kwam rij terug en schudde
het blonde hoofd. 'Ze heeft niets bij zich.'
Ome Jaap keek haar aan, zoekend naar een gepaste formulering. 'Heb
... eh, heb je in ... eh, in haar doos gekeken?'
De vrouwelijke agent keek verrast op. 'Doos?' stamelde zij. 'Ze had
geen doos bij zich. Alleen een tasje.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|