|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Mijn zoon
Het was de brigadier van de wacht, die belde. 'Ik
heb hier beneden een vrouwtje aan de balie. Ze wil aangifte doen.
Het lijkt me nogal ernstig. Ze is beroofd.'
'Waar?'
'In de binnenstad. Ergens in een auto.'
'In een auto?'
'Ja. Tenminste... dat heb ik begrepen. Ze is nogal in de war, zie
je. Ze haalt alles door elkaar. Ik word er niet goed wijs uit.' De
stem van de wachtcommandant klonk geïrriteerd. 'Daarom... ze kan je
het verhaal beter zelf vertellen.'
'Goed, goed,' zei ik, 'stuur haar maar naar boven.'
Haar hoedje stond vreemd scheef op haar hoofd en ze had gehuild. Het
was duidelijk te zien. De overvloedige make-up van haar gezicht was
verveegd en het ogenzwart was doorgelopen. Alleen het rozerood op
haar wat dunne lippen zat nog onberispelijk. Ik schatte haar rond de
vijfenvijftig jaar... een klein mager vrouwtje met nerveuze
gebaartjes.
'U bent beroofd?' begon ik.
Ze knikte heftig.
'Wanneer was dat?'
'Zonet... een kwartiertje geleden.'
'Door wie?'
Ze gebaarde wat vaag in de ruimte.
'Een paar mannen... twee... drie.'
'Waar?'
'In een auto.'
Ik knikte. 'Dat heeft u ook aan de brigadier verteld. Hoe kwam u in
die auto?'
'Daar hebben ze me ingesleurd.'
'En in die auto hebben ze u uw geld afgenomen?'
'Ja, mijn tasje.'
'Hoeveel zat erin?'
Ze aarzelde even. Een zenuwtrek gleed langs haar lippen.
'Twintigduizend gulden.'
Ik schoof naar het puntje van mijn stoel. 'Hoeveel zei u?'
Ze zuchtte diep.'Twintigduizend gulden... allemaal briefjes van
honderd.'
Ik schudde mijn hoofd. 'Maar mens,' riep ik vertwijfeld, 'wie loopt
er nu met zoveel geld rond?'
Ze begon weer te huilen. 'Het was voor m'n zoon. Voor m'n zoon z'n
zaak. Ik zou het hem vanavond brengen.' Ze slikte. 'Dat had ik hem
beloofd.' Ze gebaarde naar de telefoon. 'Mag ik hem even bellen,
meneer?'
'Natuurlijk.'
Ik schoof haar het toestel toe. Ze trok plukkend haar handschoenen
uit, draaide telkens het verkeerde nummer en werd zichtbaar
nerveuzer. Ik nam geduldig de hoorn van haar over, vroeg het nummer
van haar zoon en toen ik verbinding had, gaf ik de hoorn aan haar
terug. 'Fred,' zei ze beverig, 'hier je moeder. Ze hebben me
beroofd... al mijn geld... Fred. .. het is weg... die twintigduizend
gulden ... ze hebben me beroofd. Ik ben nou bij de recherche aan de
Warmoesstraat om aangifte te doen. Fred...'
Ik hoorde dat aan de andere kant de verbinding werd verbroken.
Abrupt. Het vrouwtje staarde naar de hoorn, verbaasd, de mond
halfopen.
'Fred...?'
De in-gesprek-toon klonk schril, indringend.
Ik nam zachtjes de hoorn uit haar hand en legde die op het toestel
terug. Ze keek naar me op. 'Hij zal me wel komen halen,' zei ze met
een onzeker lachje, 'met zijn wagen.'
Ik knikte haar vriendelijk, bemoedigend toe. Ze was plotseling zo
nietig, zo zielig, dat een golf van medelijden mij overspoelde.
'Hij... eh, hij zal u wel komen halen,' herhaalde ik.
Ze knikte vaag, afwezig.
Een tijdje liet ik haar met haar gedachten alleen, toen vroeg ik:
'Hoe ging het?'
'Wat?'
'Die beroving.'
Er kwam weer wat glans in haar ogen. 'Dat zei ik toch... door twee
mannen in een auto.'
'Dat is niet genoeg. Ik wil het precies weten, begrijpt u... van het
begin af.'
'O.' Ze verschoof iets op haar stoel. 'Ik woon op de Weteringschans,
weet u, vooraan, bij het Frederiksplein. Ik kwam net met mijn tasje
deur uit, toen er een grote zwarte wagen aan de rand van het
trottoir stopte. Er stapten twee mannen achter uit en liepen naar
mij toe. Ik dacht dat ze mij wat wilden vragen. Maar ineens pakten
ze me vast en voordat ik goed en wel wist wat er aan de hand was,
zat ik al in de wagen en reden we.'
'Die beide mannen kwamen achter uit de wagen?'
'Ja.'
'Dan was er dus nog een derde man.'
Ze aarzelde even, keek mij onderzoekend aan.
'U hebt gelijk. Er was nog een chauffeur. Ik zat met twee mannen
achterin.'
'U hebt u verzet?'
Ze knikte overtuigend. 'Ik heb getrapt en geslagen. Je laatje toch
niet zomaar door een paar vreemde kerels meenemen? Ik heb ook
gegild, maar een van de mannen hield zijn hand voor mijn mond.'
'Waar lieten ze u uitstappen?'
'Hier pal bij... op de Prins Hendrikkade bij het Leger des Heils.'
'Dan hebben ze nog een flink eind met u gereden.'
Ze glimlachte. 'Door de Utrechtsestraat. Ik zag het aan de
etalages.'
Ik trok een blocnote naar mij toe. 'Wat is het nummer van de wagen?'
Ze schudde droef het hoofd. 'Dat ben ik vergeten op te nemen.'
'Jammer,' zei ik teleurgesteld, 'geeft u mij dan maar een
signalement van de mannen.'
Ze keek me aan, hulpeloos, weifelend. 'Ik... eh, ik heb hun
gezichten niet zo goed gezien. Het was al donker moet u denken...'
Op dat moment werd er geklopt. Ik riep 'binnen' en een man van een
jaar of dertig stormde de kamer in. Hij was groot, groten te vet
voor zijn leeftijd. Dreunend stapte hij op het vrouwtje toe. 'Is
alles weg?' brulde hij.
Ze knikte bedeesd.
'En was er niemand in de buurt... kon je niet schreeuwen?'
Ze maakte een schichtig gebaartje. 'Ze... ze hielden een hand voor
mijn mond.'
Hij snoof verachtelijk. 'Stom mens, waarom sleep je ook met dat
geld. Had het mij direct gegeven, toen ik het vroeg.'
De toon van de man was zo arrogant, zo neerbuigend, dat mijn
vingertoppen begonnen te tintelen. Het kostte mij moeite mij te
beheersen. 'U bent zoon Fred?' kwam ik uiterlijk kalm tussenbeide.
'Ja, ik ben Fred.'
'Mooi,' zei ik ijzig, 'gaat u dan maar even met mij mee.'
Ik vatte hem bij de arm en leidde hem naar het verhoorkamertje.
'Blijft u hier maar zitten tot ik u roep.' Ik wuifde zijn protesten
weg, deed de deur achter hem dicht en ging terug naar het vrouwtje.
'Ik denk,' zei ik achteloos, 'dat ik Fred voorlopig maar een poosje
vasthoud.'
'Vasthouden?' vroeg ze verwonderd.
'Waarvoor?'
'Voor de beroving.'
Ze keek me verbijsterd aan. 'Voor de beroving?'
'Ja, natuurlijk. Hij was de enige die wist dat u vanavond met al dat
geld op stap ging.'
Ze slikte. Angst blikte uit haar ogen. 'Maar dat is niet goed. Dat
is helemaal niet goed. Fred heeft het niet gedaan. Fred wist van
niks. Het kan niet.'
Ze sprak gehaast, nerveus. 'Er was...'
'... geen beroving,' vulde ik aan.
Een moment zat ze verstijfd op haar stoel. Toen sloeg ze beide
handen voor haar gezicht en begon te snikken. Haar magere lichaam
schokte.
'Waarom?' vroeg ik.
Ze keek met een betraand gezicht naar mij op.
'Ik wilde het hem niet geven, meneer. Ik wilde het hem niet geven.
Het was het laatste dat ik had. Hij heeft al zoveel van mij
opgemaakt. Toen mijn man stierf, had hij een aardig sommetje voor me
achter de hand. Een appeltje voor de dorst, begrijpt u. Het is bijna
allemaal op. Fred vroeg steeds maar weer. Je krijgt toch je
weduwenrente, zei hij. Wat moet je met dat geld?'
Ik knikte begrijpend. 'En dan durfde u geen "nee" te zeggen.'
Ze schudde haar hoofd. 'M'n zoon... hij is zo dwingerig weet u, een
heerser. Ik heb hem nooit wat kunnen weigeren ... als kind al niet.
Toen hij om dat laatste geld vroeg, wist ik mij geen raad. Als ik
het hem niet gaf, zou hij terugkomen. Steeds weer. Steeds weer. Tot
ik zou bezwijken.'
'En toen kwam u op het idee van een beroving.'
Ze knikte traag. 'Je leest het weleens in de krant... vrouw van haar
tasje beroofd.'
Een tijdlang zwegen we. 'Wat gaat u nu met mij doen?' vroeg ze na
een poosje.
Ik zuchtte, haalde mijn schouders op. 'U mag de politie niet
misleiden. Het doen van een valse aangifte is strafbaar.' Ik wees
naar de lege schrijfmachine op mijn bureau. 'Ik heb nog niets op
papier staan. Uw aangifte is nog niet geverbaliseerd. We zouden het
nog onder ons kunnen houden.'
Er brak iets van een glimlach door. 'En Fred... vertelt u het aan
Fred?'
Ik keek haar schuins aan. 'Vertelt ú het hem?'
Ze schudde heftig het hoofd. 'Nooit... nooit van m'n leven.' Ik
stond van mijn stoel op en slenterde naar het verhoorkamertje. Het
vrouwtje trippelde achter mij aan. Ik deed de deur open.
'U kunt uw moeder naar huis brengen.'
Het gezicht van de man zag rood. Hij had zich tijdens zijn verblijf
in het kamertje kennelijk sterk opgewonden.
'En het geld?' schreeuwde hij wild. 'De rovers? Het is toch te gek,
dat een oud mens zomaar op straat wordt bestolen. Wat hebben we
tegenwoordig voor een politie? Ik eis van u, dat u de daders binnen
vierentwintig uur hebt gearresteerd.'
Het vrouwtje pakte hem bij de arm. 'Kom, Fred ... m'n zoon,' zei ze
zacht, 'je moet niet zo tegen meneer tekeergaan. Het zal aan meneer
niet liggen. Meneer zal heus wel zijn best doen. Nietwaar, meneer?'
Ik bromde wat en keek het tweetal na toen ze de lange gang
uitliepen. Haar hoedje stond nog steeds scheef op het hoofd.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|