|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Paultje
Toen hij op een zonnige morgen, na het uitzitten van
zijn zoveelste straf, uit de gevangenis werd ontslagen, stond
Paultje alleen buiten de poort.
Er wachtte niemand op hem om hem met een duwtje in de maatschappij
te drukken. De ambtelijke instanties hadden het opgegeven en
familierelaties, die het de moeite waard vonden zich de datum van
zijn vrijlating te herinneren, bezat Paultje niet. Zijn enige
hulpmiddel was een trein-kaartje enkele reis Amsterdam, welwillend
en volgens voorschrift door de gevangenisdirectie geschonken. In
zijn zak rinkelden een paar guldens uitgangskas.
Paultje stond er netjes bij. Zijn broek was geperst, hij was
geschoren en geknipt en onder de scheiding in zijn zwarte haren lag
een ernstig voornemen om van dat kaartje enkele reis, hoe dan ook,
geen retourtje te maken.
Amsterdam ontving Paultje, zoals het stedemaagden betaamt:
welwillend. Het Damrak koesterde zich in een vriendelijk zonnetje en
op de Dam koerden de duiven.
Paultje besteedde twee uur om te kijken of alles in Amsterdam nog op
zijn plaats stond en vond vervolgens zonder veel moeite in een hotel
het baantje van casserolier, wat erop neerkwam dat hij in wisselende
diensten de borden moest wassen, waarvan anderen hadden gegeten.
Toch was Paultje vol goede moed. Hij deed trouw en behendig zijn
werk en ontving zijn karig loon.
Maar wat doe je, als je enige broek door het afwaswater wordt
bedorven en je geen econoom in de buurt hebt die je een inzicht kan
geven in het beheer van een wekelijks tekort.
Het is een probleem waarvoor diverse oplossingen mogelijk zijn. De
oplossing die Paultje vond, paste in zijn beperkt denkwereldje. Het
was een baksteen ... een groot model baksteen, die hij in een
winderige nacht rinkelend door de etalageruit van een kledingzaak
wierp.
Een tiental minuten later zagen agenten van een
politie-surveillancewagen Paultje in het holst van de nacht met vijf
splinternieuwe pantalons slepen. Hun ambtelijke achterdocht
bespeurde misdaad. Terecht. Die indruk werd nog versterkt toen
Paultje bij de aanblik van de politiewagen een scherp sprintje
inzette. Het hielp niet. Hij werd ingehaald en belandde met zijn
buit in de Warmoesstraat, waar de brigadier-wachtcommandant hem
zonder veel emotie inboekte en naar zijn cel bracht.
Denkt u niet dat Paultje een jongen was met een wrok tegen de wereld
en een wrange trek om de lippen. Beslist niet. Hij hield van zijn
medemensen en stond niet onwillig tegen de maatschappij te schoppen.
Hij had slechts één opvatting die niet met de gangbare mening
strookte.
Paultje zag namelijk echt geen kwaad in het stelen van een artikel
dat hij beslist nodig had. Dat hij soms ook weleens iets wegnam dat
hij niet beslist nodig had, was nu net datgene wat aan zijn
volmaaktheid ontbrak.
Toen ik hem de volgende morgen uit de cel haalde voor het verhoor,
keek hij mij wat mistroostig aan.
Hij spreidde zijn magere armen in een verontschuldigend gebaar. 'Ik
... ik had een broek nodig.'
'Je nam er vijf,' zei ik bestraffend.
'Wat nou,' riep hij verongelijkt. 'Ik had toch geen tijd om te
passen.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|