Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 54

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 1
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Een liefde om op te bouwen

 

Het regende gestaag. Ik had al meer dan een vol uur staan wachten op een getuige, die anoniem wenste te blijven en op een onmogelijk punt in de stad met mij had afgesproken. Mijn jas was doorweekt en mijn hoedje lekte. 
Om mij geen griep op de hals te halen, schoof ik een café binnen, hing mijn natte spullen aan de kapstok en bestelde een borrel. Zo nu en dan keek ik naar buiten, want van mijn plaats af kon ik vaag door een sluier van regen het ontmoetingspunt onderscheiden.
Naast mij aan de bar zat een man van onbestemde leeftijd. Hij droeg een ouderwets kostuum met een vest, donkerblauw, dat prachtig combineerde met het charmante grijs aan zijn slapen.
Hij vertoefde kennelijk al een tijdje in het café, want zijn vriendelijk rond gelaat toonde het specifieke rood, dat jenever na een paar glaasjes op onze vaderlandse gezichten tovert. 'Amsterdam is het mooist als het regent,' zei de man.
Omdat hij blijkbaar aan mijn gezicht zag, dat ik het niet direct met hem eens was, herhaalde hij dwingender: 'Amsterdam is het mooist als het regent.' Hij schoof wat dichter naar mij toe. 'Juist als de stad onder een grauw wolkendek ligt bedolven... als de geveltjes spiegelen in het asfalt... sprankelt Amsterdam.' Om zijn woorden kracht bij te zetten, mepte hij met zijn vuist op de bar. 'De meeste steden van de wereld kunnen het zonder de zon niet stellen. Neem nou Rome... Parijs. Als de zon schijnt... prachtige steden. Maar als het regent...' Hij zweeg even om duidelijk te laten uitkomen, dat het dan niets was. 
'Kleur... kleur bepaalt hun schoonheid, hun gratie. Bij Amsterdam is dat anders. Amsterdam is mooi in zwart-wit.'
Hij wenkte de barkeeper.
'Ook nog eentje voor meneer, hier.' Hij lachte mij vriendelijk toe. 'Het is toch rotweer buiten.' Hij nipte langzaam aan zijn borrel. 'Weet u door wie Rome is gesticht?' vroeg hij plotseling.
Ik knikte traag. 'Romulus en Remus,' zei ik stug, want ik ben nooit zo praterig tegen vreemden. 
Hij legde zijn hand op mijn arm. 'Precies... een tweeling, te vondeling gelegd en gezoogd door een wolvin.' 
Zijn vriendelijk gezicht versomberde. 'Een triest verhaal. .. vindt u niet? Arme vondelingetjes... moet je je dat eens even voorstellen... twee zuigelingen, die met trillende handjes om de warme boezem van hun moeder schreeuwden... ja? En dan komt er een wolvin... die snuffelt even en hop... krijgen die kinderen een harige tepel in hun mondje.' Hij schudde mistroostig het hoofd. 'Ik heb niets tegen wolven. Begrijp me goed. Ik ben milieubewust. Maar zeg nou zelf... Romulus en Remus... daar kon toch nooit een goed volk uit groeien?' 
Ik keek hem aan in de verwachting dat hij schertste. Maar zijn vriendelijk gezicht stond volkomen ernstig. Hij liet nog eens een borrel inschenken.
'Weet u hoe Amsterdam is ontstaan... het is nou zevenhonderd jaar geleden... weet u het?' 
Ik schudde het hoofd.
Hij doopte in zijn borrelglaasje en tekende met een natte vinger een kronkelend slangetje op het hout van de bar. 'Kijk,'legde hij uit, 'dat is de Amstel. En dan had je hier het IJ... of eigenlijk... de Zuiderzee.' Hij maakte met zijn vrije hand een wegwerpgebaartje. 'De Willemsluizen waren er toen nog niet. Die zijn pas later gekomen... véél later.' Hij doopte weer in. 'De Amstel,' wees hij, 'had toen ook nog geen bruggen . . . geen Berlagebrug, geen Blauwe brug en geen Magere brug... niks. Gewoon... kaal water.' 
Hij likte aan zijn droge lippen. 'Nou woonde er aan de ene kant van de Amstel een vissersfamilie en die had een zoon. En aan de andere kant had je een boerenfamilie en die had een dochter. Die twee hielden van elkaar.' 
'Dat kan', riep ik meegesleept door zijn betoog. 
Hij knikte dankbaar.
'Nou waren er wel bootjes om mee naar de overkant te varen,' ging hij verder, 'maar dat was wat lastig met het tij en de stroom en zo. Bovendien verzoop er weleens iemand. Omdat die twee toch graag bij elkaar wilden zijn, hebben ze wat bedacht. Als ze even de tijd hadden, gooiden ze, elk van hun kant, steeds steentjes en klei in de Amstel. Begrijp je, steeds steentjes en klei. En toen de dam helemaal klaar was, trouwden ze.' Hij keek mij glunderend aan. 'Zo ontstond de dam in de Amstel... Amstelredam... Amsterdam.' 
Hij zweeg even, staarde dromerig in het glaasje. 'Ziet u het duidelijke verschil met Rome? Hier geen wolven, geen achtergelaten kindertjes. Amsterdam is uit liefde geboren.' Ik was er kapot van en bestelde nog een borreltje. De man keek op zijn horloge.
'Ik stap eens op,' zei hij zuchtend. 'Hij zal er nou wel niet meer staan.' 
'Wie?' vroeg ik.
Hij gebaarde wat in de ruimte. 'Och,' zei hij geringschattend, 'ik had een afspraak met een of andere rechercheur, maar het regende me te veel en toen ben ik...'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week