|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Een vleugje vergif
Het was al vrij laat, bijna elf uur. Ik was juist
van plan de laden van mijn bureau af te sluiten en naar huis te
gaan, toen er op de deur van de recherchekamer werd geklopt. Ik
zwiepte mijn oude hoedje terug aan de kapstok en riep 'binnen'. Het
klonk onvriendelijk, vond ik zelf, kort afgebeten. Ik had die dag al
genoeg narigheid behandeld en ik voelde bitter weinig voor een nieuw
probleem.
De deur ging langzaam open en - in de deuropening verscheen een
betrekkelijk jonge vrouw. Ik schatte haar op voor in de dertig. Ze
was slank, bijna mager. Ze droeg een glimmend rode lakjas met een
witte rits en hoge rode laarsjes. Aan haar arm bungelde een
handtas.
'Komt u nader,' zei ik.
Ze stapte aarzelend dichterbij en ging zitten op de stoel, die ik
haar aanbood.
Ik nam haar nauwlettend op. Ze had een matbleke, haast
doorschijnende huid en grote helgroene ogen. Naar de kleur van haar
haar kon ik slechts gissen. Het was verborgen onder een witzijden
sjaal, die strak om het hoofd was getrokken, waardoor haar ovaal
gezichtje bijzonder smal leek.
'Wie bent u?'
'Netty... Netty Moser.'
'Waar komt u voor?'
Ze gespte wat traag haar manteltje los, zette haar tasje op haar
schoot en omklemde het met beide handen.
'Waar komt u voor?' herhaalde ik dwingender. Ik wilde snel ter zake
komen.
Ze likte met haar tong langs haar lippen.
'Ik word vergiftigd.' Het klonk ernstig, overtuigend.
'Vergiftigd?'
Ze knikte. 'Ik heb al een paar weken van die krampen in mijn buik.
Ik wist eerst niet hoe het kwam. Ik dacht dat ik een koudje had
opgelopen. Ik ben ermee naar de dokter gegaan. Het is een griep, zei
hij, kruip maar een paar dagen onder de wol.'
Ze zuchtte diep. 'Dat heb ik gedaan. Maar het hielp niet.
Integendeel, het werd steeds erger. Het is geen griep, dacht ik
toen, het is iets anders.'
'Vergif.'
Ze keek mij aan; een licht verwijt in haar ogen. 'Wie denkt er nu
direct aan vergif?'
Ik gebaarde in haar richting. 'U... u dacht aan vergif... anders was
u niet naar mij gekomen.'
'Dat kwam door vanavond.'
'Wat was er vanavond?'
Er verscheen wat kleur op haar wangen. 'We hadden gegeten, afgeruimd
en afgewassen. We zaten in de kamer en ineens had ik weer die
krampen. Ze liep de kamer uit en kwam even later terug met een groot
glas wijn. Ze duwde het mij in de hand. Hier, zei ze, drink op. Dat
is goed voor je bloed. Het zal wel aan je bloed liggen.'
'Wie is "ze"?'
'Mijn vriendin.'
'Uw vriendin?' vroeg ik verbaasd.
'Ja, we wonen samen. Al een paar jaar.'
Ik keek haar onderzoekend aan. 'U denkt dat uw vriendin u
vergiftigt?'
Haar groene ogen lichtten op. 'Ja,' riep ze fel, 'wie anders?'
Ik negeerde haar opmerking. 'Wat was er met die wijn?'
Ze deed wat nerveus haar handtasje open, nam daaruit een blauwe
plastic beker en zette die op mijn bureau. 'Proeft u zelf maar.'
Ik nam het dekseltje van de beker en schommelde de wijn heen en
weer. Aan de wanden kleefde wat bezinksel. 'Heeft ze gezien dat u...
?'
Ze schudde heftig het hoofd. 'Daarom ben ik zo laat. Ik heb de hele
avond gewacht op een kans om de wijn weg te moffelen. Pas toen ze
zich klaarmaakte om naar bed te gaan, kon ik het in de beker doen.'
'Weet ze dat u hier bent?'
'Natuurlijk niet. Ik zei dat ik nog even een brief ging posten.'
Ik knikte begrijpend.
'Doet u dat hoofddoekje eens af.'
'Waarom?'
'Ik wil uw haar zien.'
Ze knoopte haar sjaaltje los en trok het weg. Het haar was dun, dor,
brokkelig.
Ze schonk me een matte glimlach. 'Mijn haar... het wil niets de
laatste tijd.'
Ik beet peinzend in mijn lip. 'Heeft uw vriendin een ernstige reden
om u naar het leven te staan?'
Ze haalde haar schouders op. 'Ze heeft sinds enige tijd een vriend
... Frits. Een waardeloze vent, als u het mij vraagt. Maar ja ... ze
is gek op hem.'
'Geen reden om u te vergiftigen.'
Ze glimlachte triest. 'Nee... maar ze gaan trouwen, tenminste, dat
zijn ze van plan.' Ze keek naar mij op. 'Als ze een woning hebben.'
'En daar knelt het?'
Ze knikte. 'Ik wil niet dat hij bij ons in huis komt.' Ze pauzeerde
even. 'Daarom, ziet u, ze willen mij wel weg hebben. Gewoon,
helemaal weg. Anders kunnen ze er niet in. De woning staat op mijn
naam.'
'U moet dus voorgoed verdwijnen.'
Ze slikte.
'Heeft u nog familie in Amsterdam?'
'Mijn moeder.'
'Het lijkt mij het beste dat u voorlopig maar bij uw moeder slaapt.
Ik zal de wijn laten onderzoeken. En ik zal ook een dokter laten
komen van de Geneeskundige Dienst. Ik wil wat bloed en urine van u
voor het laboratorium.'
'En mijn vriendin?'
'Ook over haar zal ik mij ontfermen.'
Hoewel ik er zelf al van overtuigd was dat Netty Moser vergif
toegediend had gekregen, wachtte ik toch tot ik de volgende morgen
van de luitjes van het laboratorium het bericht kreeg dat in haar
urine en in de wijn sporen van thallium waren gevonden. Het is een
bestanddeel van vele rattengiften.
Het was een oud huis aan de gracht naast een steeg. Het had een
blauwstenen stoep en een trekbel. Ik rukte aan de koperen knop. Het
gerinkel klonk van ver. Ze was mollig, niet dik of gezet, maar
prettig rond met donkerblond haar, lichtbruine ogen en twee
vriendelijke kuiltjes in haar wangen. Er straalde iets liefs van
haar uit, iets vertrouwelijks. Ze keek mij vragend aan.
'Juffrouw Smit?'
'Ja?'
'Ik ben van de recherche.'
Ze bracht haar hand naar haar mond in een verschrikt gebaar. 'Is er
iets met Netty?' vroeg ze bezorgd. 'Ze is vannacht niet
thuisgekomen.'
'Nee...' zei ik weifelend, 'er is niets met Netty... of eh... ja, er
is toch iets met haar. Daar kom ik ook voor.'
Ze deed de deur achter mij dicht en liep voor mij uit door een lange
marmeren gang.
De grote hoge kamer was smaakvol gemeubileerd met veel antiek koper
en twee ruime banken, die tegenover elkaar waren geplaatst. Op een
smal tafeltje aan de wand stond een pruttelend koffieapparaat.
'Gaat u zitten,' zei ze vriendelijk. Ze pakte twee koppen van groen
aardewerk van een rek en liep ermee naar het apparaat aan de wand.
'Koffie?'
Ik keek haar aan, aarzelde een moment. Als deze vrouw er niet
tegenop zag haar vriendin langzaam te vergiftigen, welk bezwaar zou
ze dan hebben om mij naar een andere wereld te helpen? Ik slikte
mijn angst weg. 'Graag,' zei ik toonloos, 'zonder melk en zonder
suiker.'
Ze scharrelde aan het apparaat met de rug naar mij toe. Ik volgde
haar bewegingen. Na een paar seconden kwam ze met twee koppen op een
blaadje.
'Wat is er met Netty?'
'Ze is vergiftigd,' zei ik bot.
Een moment dacht ik dat ze het blaadje met de koppen zou laten
vallen, maar ze herstelde zich. 'Wie zou haar willen vergiftigen?'
Ik keek omhoog.
'U.'
Ze zette mijn koffie op een tafeltje en ging tegenover mij zitten.
'U maakt een grapje.'
Ik schudde mijn hoofd. 'Grapjes zijn nooit mijn sterkste zijde
geweest. Ik ben heel ernstig. Netty zegt dat u het doet.'
Ze glimlachte wat vaag. 'Uw koffie wordt koud.'
Ze pakte de kop van het tafeltje en keek ernaar. Door het groen van
het glazuur had de koffie een wat vreemde kleur. Ik weifelde. Hoewel
ik niet naar haar keek, voelde ik dat zij op mij lette. Voorzichtig
nam ik een slok. De koffie smaakte goed.
Ze glimlachte opnieuw. 'U ... u bent blijkbaar niet bang door mij
vergiftigd te worden.'
'Waarom zou u mij vergiftigen?'
Er trilde een zenuwtrek langs haar lippen. 'Waarom zou ik 't Netty
doen?'
Ik stond langzaam op. 'Waar is de keuken?'
'U zoekt vergif?'
'Ja.'
Ze kwam overeind. 'In het gootsteenkastje. Daar staan twee blikjes
met rattenkruit. Van beide is iets gebruikt.'
Ik keek haar aan. 'Ik arresteer u,' zei ik streng, 'voor poging tot
moord op Netty Moser.'
Ze zuchtte. 'Dat begrijp ik, rechercheur.'
Ik was met de gang van zaken niet tevreden. Het was te makkelijk
gegaan. Zonder strijd. De houding van Jeanette Smit beviel me niet.
Er was iets met haar... iets dat ik niet wist. Ik liet een van de
blikjes met rattenkruid naar het laboratorium brengen en ging met
het andere op pad. In mijn binnenzak had ik een foto van de
vriendinnen, genomen uit een lijstje op de schoorsteen. Ik hoopte
dat mijn odyssee niet te lang zou duren. Bij een vorige
vergiftigingszaak had ik blaren op mijn voeten gelopen. Drogisterij
in, drogisterij uit, steeds dezelfde vraag: 'Verkoopt u dit spul...
kent u de mensen op de foto?'
Ik had geluk. Al bij de tweede drogist had ik succes.
'Dat spul? Ja, dat verkoop ik. Die beide dames? Ja, die ken ik...
juffrouw Smit en juffrouw Moser. Ze wonen in een oud huis aan de
gracht. Ze hebben daar nogal wat last van ratten.'
Ik knikte. 'Wanneer heeft juffrouw Smit dat gif bij u gekocht?'
De grijze drogist keek mij wat verward aan. 'Juffrouw Smit?'
'Ja.'
Hij schudde zijn hoofd. 'Juffrouw Moser doet altijd de boodschappen.
Zij heeft ook het rattenkruit gehaald.'
Ik liet de foto nog eens zien. 'Wie bedoelt u nu?'
Hij wees met een dikke vinger. 'Juffrouw Moser... die blonde.'
Ik greep de foto en het blikje van de toonbank, verliet gehaast de
drogisterij en sjokte naar het adres van de moeder.
Netty lag met een bleek gezicht in bed.
'U hebt het gif zelf gekocht,' schreeuwde ik wild. 'U wist dat het
in huis was.'
Ze draaide zich om en drukte haar gezicht in het kussen. Het duurde
precies twaalf minuten. Toen bekende ze dat ze al geruime tijd
steeds kleine hoeveelheden rattenkruit door haar eigen voedsel had
gemengd.
Met een rood hoofd van schaamte haalde ik Jeanette Smit uit haar
cel. 'Netty heeft het gif zelf ingenomen,' zei ik bedeesd.
Ze glimlachte. 'Dat wist ik.'
Ik keek haar stomverbaasd aan. 'U wist dat?'
Ze knikte. 'Netty had ermee gedreigd. Als ik mijn verhouding met
Frits niet verbrak zou zij zich zelf vergiftigen.'
'Ma... maar,' stotterde ik, 'waarom hebt u mij dat niet gezegd? U
liet zich arresteren.'
Ze haalde haar schouders op. 'U had mij toch niet direct geloofd.
Daarom... ik wachtte maar rustig af.' Ze keek naar mij op. 'Je kunt
toch niet veroordeeld worden voor iets datje niet hebt gedaan?'
Ik boog het hoofd en krabde in mijn nek. Het was een vraag, waarop
ik liever geen antwoord gaf.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|