|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
De man met de duizend gulden
Er zijn momenten dat je als rechercheur denkt, dat
je het allemaal wel weet, dat er niets meer is datje kan schokken.
En dan, plotseling, word je geconfronteerd met een oude man... een
vreemde oude man.
De procuratiehouder van de Algemene Bank, in stemmig zwart, wuifde
met een slanke hand. 'Een vreemde oude man. Zo mag u het wel
stellen. Ik weet natuurlijk niet of hier sprake is van enige
onrechtmatigheid, maar het lijkt mij toch wel van belang, dat er een
onderzoek wordt ingesteld.'
Ik keek op. 'Waarnaar?'
'Naar de herkomst.'
'Van de bankbiljetten?'
'Ja, op z'n minst. Hoe komt die oude man aan zoveel geld? En wat
doet hij ermee? Voor zover wij hebben kunnen nagaan, heeft hij
alleen al bij onze bank voor meer dan honderdduizend gulden aan
bankbiljetten ingewisseld. En dat in nog geen anderhalf jaar.'
Ik keek de bankman niet-begrijpend aan. 'Hoe doet hij dat dan?'
'Simpel. Een-, twee-, soms driemaal op een dag stapt hij de bank
binnen, wacht rustig aan het loket tot hij aan de beurt is en vraagt
dan een bankbiljet van duizend gulden te wisselen.'
'Meer niet?'
'Nee.'
'Steeds een briefje van duizend?'
'Ja.'
'En daar is niets mee aan de hand?'
'Hoe bedoelt u?'
'Ze zijn niet vals, of vervalst?'
De procuratiehouder schudde heftig het hoofd. 'Absoluut niet. Het
zijn volkomen gave bankbiljetten.' Hij glimlachte. 'En als ze
vervalst zijn, dan is dat zo kunstig gedaan, dat zelfs onze experts
geen verschillen kunnen ontdekken.'
Ik stond zuchtend op. 'Goed,' zei ik gelaten. 'We zullen de zaak
bekijken. Zo gauw de oude man weer verschijnt, waarschuwt u ons. We
komen onmiddellijk.'
Nog die zelfde middag kregen we een telefoontje. Hij stond er weer,
de oude man, voor het loket. Een bankbiljet van duizend in zijn
hand. Ik schoot mijn jas aan, zette mijn oude hoedje achter op het
hoofd en haastte mij naar de bank. Het was niet ver van ons bureau
aan de Warmoesstraat.
Bij mijn aankomst trof ik de procuratiehouder aan de deur. Hij deed
wat opgewonden en wees heimelijk naar een oud mannetje in de rij
voor een van de loketten.
Het was niet nodig. Ik had de oude man al opgemerkt nog voor de
procuratiehouder naar hem wees. Met zijn grijsgele baard, zijn lange
zwarte morsige jas tot bijna op zijn hielen, viel hij onmiddellijk
op. Hij viel duidelijk uit de toon.
Ik wachtte geduldig tot de oude man aan de beurt was en kwam toen
wat dichterbij. Ik zag hoe hij met een beverige hand het bankbiljet
van duizend naar voren schoof. 'Kunt u het wisselen?' vroeg hij
zacht. 'Liefst negen honderdjes en tien briefjes van tien.'
Achter de koperen stangen keek de kassier wat hulpeloos om zich
heen, wachtte op het toestemmende knikje van de procuratiehouder.
Eerst toen pakte hij het bankbiljet van duizend weg, telde tien
briefjes van honderd en schoof die onder de stangen door.
De oude man keek omhoog. 'U vergeet de tientjes,' zei hij.
De kassier maakte het verzuim haastig goed.
De oude knikte dankbaar, graaide de bankbiljetten naar zich toe en
schuifelde langzaam de bank uit.
Ik volgde op een afstandje.
Midden op het brede trottoir van het Damrak bleef de oude staan. Ik
was pal bij hem. Ik zag hoe hij uit de binnenzak van zijn lange jas
een gedeukt sigarenblikje nam en er het elastiekje afschoof.
Voorzichtig legde hij de bankbiljetten in het blikje en deed er het
elastiekje weer omheen.
Ik tikte hem op de rug. 'Ik ben van de recherche,' zei ik. 'U moet
even met mij mee naar het politiebureau.'
De oude keek naar mij op. 'Waarom?'
'We willen weten hoe u aan dat vele geld komt.'
Hij glimlachte met glinsterende oogjes.
'Dat is van mij,' zei hij. 'Dat is allemaal van mij.'
Terwijl de oude in de wachtkamer van het bureau geamuseerd rondkeek,
doorzocht ik zijn woning, een donker benedenhuisje in de Binnen
Wieringenstraat. Het was er rommelig, maar schoon. De pannetjes in
de keuken stonden er blinkend bij en het tweepits gasstel was niet
aangekoekt. In de huiskamer, op de vloer, lagen lampen en andere
onderdelen van een radio en op de tafel stond een half afgemaakt
model van een oude vissersschuit.
Ik scharrelde wat rond, klopte op wanden en muren, maar nergens was
een verborgen ingang naar een geheime drukkerij voor vals geld. Er
was in het hele huis zelfs geen bankbiljet te vinden.
Toen ik terugkwam op het bureau, nam ik de oude vanuit de wachtkamer
mee naar het verhoorkamertje. Ik zette hem op een stoel tegenover
mij en keek hem onderzoekend aan. Hij blikte onbevangen terug.
'U hebt,' begon ik, 'alleen al bij de Algemene Bank, de laatste
anderhalf jaar meer dan honderd bankbiljetten van duizend gulden
ingewisseld.'
De oude knikte. 'Dat kan wel kloppen,' zei hij bedaard.
'Wat hebt u met al dat geld gedaan?'
De oude keek op, het hoofd een beetje schuin. 'Al dat geld?'
'Ja,' zei ik, 'al dat geld. Honderdduizend gulden is geen
kleinigheid.'
Rond de lippen van de oude dartelde een glimlach. Hij schudde
langzaam het hoofd. 'Dat die lui van de bank er invliegen... Maar u,
als man van de politie...'
Het klonk wat meewarig.
'U bedoelt?' vroeg ik argwanend.
De oude grinnikte. 'Ik heb geen honderdduizend gulden. Ik heb ze ook
nooit gehad. Mijn hele leven niet. Ik heb er maar één.'
'Wat?'
'Eén bankbiljet van duizend.'
'Eén?' riep ik verbaasd.
'Ja, duizend gulden. Dat is alles wat ik heb. Ik wissel het steeds
om. Bij de ene bank vraag ik om een briefje van duizend en bij de
andere bank wissel ik het weer in. Ik breng er de dag aardig zoet
mee.'
Ik slikte iets weg. 'Maar,' stotterde ik onthutst, 'de mensen van de
bank denken dat u een of andere valsemunter bent... Of stinkend
rijk.'
De oude knikte traag. Zijn gezicht stond ernstig. 'Dat is nu juist
het fijne, meneer,' legde hij uit. 'Kijk, ik kan voor die duizend
gulden makkelijk een televisie kopen of een mooi bankstel in mijn
huis. Maar dan is het afgelopen, meneer. Dan ben ik niemand meer.
Dan kunnen ze me net zo goed gelijk begraven. Zolang ik die duizend
gulden heb, zien ze me nog voor vol aan. En dat wil toch iedereen,
meneer... dat ze je voor vol aanzien.' Hij pauzeerde even, zuchtte
diep. 'Moet je die verwaande kassiers zien kijken als ik weer zo'n
bankie van duizend voor ze neerleg. Zulke ogen. Ze denken
natuurlijk, dat ik een oude zonderling ben. Maar dan een zonderling
met veel poen. En dat laatste, meneer, dat doet het. Met poen... dan
ben je iemand.'
Ik maakte de oude man mijn verontschuldigingen en bracht hem naar
buiten. Vanaf de stoep van ons bureau keek ik hoe hij in zijn lange
jas langzaam de Warmoesstraat uitslofte.
Het was half vijf. De banken waren nog niet gesloten.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|