|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Ouwe Willem
Een paar dagen geleden haalden wij een dode man uit het
water van de Brouwersgracht. Op zich is dat niets bijzonders. Het komt vrij vaak
voor. Amsterdam met zijn grachtengordels en kanalen biedt vele mogelijkheden
voor een verdrinkingsdood.
Als rechercheur sta je altijd wat huiverig tegenover zo'n 'waterlijk'. Je weet
het nooit. De beroepsmatige achterdocht vraagt een voorzichtige benadering. Zo'n
man kan zelfmoord hebben gepleegd. Hij kan ook in het water zijn geduwd. Hij kan
zelfs zijn vermoord voor hij in het water terechtkwam. Tal van mogelijkheden.
Er zijn ook vrijwel nooit getuigen. In de regel komt
plotseling een kruin boven water. Er vormt zich aan de wallekant een groepje en
de politie wordt gewaarschuwd.
Zo ook met Willem. Dat hij Willem heette bleek pas later,
want hij had niets bij zich. Geen portefeuille, geen papieren, geen naam, geen
adres. In zijn linkersok vonden wij drie opgevouwen briefjes van vijfentwintig
en in zijn broekzak zat een portemonnaie... een oude leren portemonnaie met zo'n
uitvouwklep.
Er zaten drie guldens in, een rijksdaalder met een plakkertje, wat dubbeltjes en
centen en twee gladde gouden ringen. De een was wat groter dan de ander. Ze
waren erg versleten. De inscriptie aan de binnenkant was nauwelijks meer te
lezen. In beide stond dezelfde datum 9-12-2 5. In de grootste stond Alie en in
de kleinste Willem.
De conclusie lag voor de hand. De man heette Willem. Hij
had in zijn lange leven vermoedelijk hard gewerkt. En Alie was niet meer.
In het ziekenhuis wasten we het grachtwater van Willem en we maakten van hem een
foto. Gewapend met die foto gingen we in de buurt van de Brouwersgracht eens
neuzen. Al bij het derde café hadden we succes.
De vrouw achter de tap nam de foto van mij aan en bekeek hem aandachtig. Ze trok
een paar denkrimpels in haar voorhoofd. 'Wat ziet Ouwe Willem er raar uit.'
'Genomen na zijn dood,' reageerde ik achteloos.
Ze schrok zichtbaar. 'Wanneer is hij gestorven?'
Ik trok mijn schouders op. 'Dat weten we niet precies. We hebben hem uit de
Brouwersgracht gehaald.'
De vrouw schudde triest het hoofd.
'Ach gussie . . . arme Willem.' In haar stem trilde medelijden. 'Hij was zo
alleen... zo eenzaam na de dood van zijn vrouw. Hij sprak nooit meer met
iemand.' Ze wees. 'Hij zat altijd in dat hoekje, alleen aan een tafeltje. Ik
lette dan zo'n beetje op hem en als hij dan zijn hand opstak, dan bracht ik hem
nog een borreltje. Nooit veel. Nooit onbekwaam.' Ze zweeg even. 'De laatste keer
begon hij plotseling tegen mij te praten.'
'Wanneer was dat?'
Ze verzonk in gepeins. 'Vorige week. Hij bleef toen ook wat langer plakken en
dronk meer dan normaal. Toen ik hem nog een borreltje bracht, pakte hij
plotseling wat beverig mijn hand. Marie, zei hij, ik had vandaag mijn gouden
bruiloft gevierd.'
Ze beet op haar lip.
'Ik had toen even bij hem moeten blijven... aan zijn tafeltje. Ik had hem die
hand van mij wat langer moeten laten vasthouden. Maar ik had geen tijd. Het was
zo druk in het café. Iedereen riep: 'Marie . . . Marie.' En ik moet het toch van
mijn klanten hebben. Ik heb toen een tijdje niet op hem kunnen letten. Toen ik
weer naar zijn hoekje keek... was zijn tafeltje leeg.'
Er gleed een traan over haar wang.
'Zijn gouden bruiloft. Ik denk, dat hij het toch samen met haar wilde vieren.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|