|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Breiwerkje
Ik heb iets tegen zakkenrollers. Nou ja, ik
heb iets tegen elke vorm van misdaad. Ik ben doorgaans een redelijk
goed staatsburger. Bovendien word ik ervoor betaald om 'iets' te
hebben tegen een ieder die de wet overtreedt.
Mijn aversie tegen zakkenrollers gaat echter verder dan mijn
beroepsmatige afkeer. Meer dan wie ook tast de zakkenroller iets aan
dat ons allen bindt.. . het cement van onze samenleving... de
liefde. Nu is liefde een verzamelwoord voor vele emoties. Het 'make
love' van de popzanger is wezenlijk iets anders dan de spirituele
liefde van een kloosterzuster. Wat ik bedoel is 'naastenliefde'...
een begrip dat per se een verdere uitbouw verdient, maar juist door
de zakkenroller zo wordt uitgehold. Immers, de enige manier om zich
tegen een zakkenroller te weren, is de afschuwelijke instelling om
een ieder in de onmiddellijke omgeving met argwaan en wantrouwen te
bezien. Ook elke daad van menselijkheid - het helpen bij het
instappen in tram of bus, het dienstbetoon bij het verwerven van een
kaartje - moet worden doorgelicht, want juist dan slaat de
zakkenroller toe.
Van de week kwam er een vrouwtje wat schuchter de recherchekamer
binnen. Ze ging op een puntje van de stoel naast mijn bureau zitten;
een grote zwarte canvas tas op haar schoot. Ze droeg een vreemd
soort mutsje op grijsgeel haar. De mantel die zij aan had was van
vele modes terug. Ze knikte vriendelijk. 'Ik heb een dochter in
Purmerend,' begon ze zacht. 'Ik ga vaak naar haar toe. Met de bus.
Ze heeft twee kinderen en daar brei ik voor. Ik heb ook altijd een
breiwerkje bij me.' Ze frommelde in haar tas en liet het mij zien:
een kluwetje gele wol, een stukje breiwerk en vier pennen.
'Waar komt u voor?' vroeg ik
zakelijk.
'Een zakkenroller.'
'U bent bestolen?'
'Ja, uit mijn tas. Mijn brillekoker. Hij dacht zeker dat het mijn
portemonnaie was. Ziet u, mijn brillekoker lijkt een beetje op een
portemonnaie.'
Ik trok de schrijfmachine naar mij toe en pakte een vel papier. 'Wat
gaat u doen?' vroeg ze angstig.
'Een proces-verbaal opmaken.'
Ze schudde resoluut het hoofd. 'Nee, nee, dat wil ik niet. Die
brillekoker kan mij niet zoveel schelen. Ik wil alleen dat u even
voor mij uitzoekt waar hij is. Ik ga dan zelf wel naar hem toe.'
'Waarom?'
'Om hem te zeggen dat het mij spijt.'
Ik keek haar verwonderd aan. 'Die man heeft u bestolen.' riep ik
geëmotioneerd. 'U had geluk. Hij was op uw portemonnaie uit.'
Ze knikte kalm. 'Dat weet ik. Maar hij heeft zich pijn gedaan.' Ze
schoof het breiwerkje onder mijn neus. Ik zag nu duidelijk dat aan
een van de pennen bloed kleefde. 'Die pennen zijn scherp,' ging ze
bezorgd verder. 'Hij heeft zich flink gestoken. En dat heb ik niet
gewild. Ik heb daar een beetje wroeging van. Hij moet weten dat ik
dat niet heb gewild.'
Toen ik haar duidelijk maakte dat ik daarvoor geen zakkenroller ging
zoeken, deed ze met een berustend gebaar haar breiwerkje in haar tas
en liep de kamer uit. Met een denkrimpel in mijn voorhoofd keek ik
haar na.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|