|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Goudvis
Twee nog jonge agenten
brachten hem wat verkreukeld binnen: een vrij grote man met
onrustige blauwe ogen in een rond koppie met flaporen. Ze lieten hem
op de stoel naast mijn bureau plaats nemen, legden een
proces-verbaal voor mij neer en verdwenen met een groet. Ik las het
ambtelijke werkstuk door. De beschuldiging luidde: eenvoudige
mishandeling, dierenmishandeling en vernieling.
De eenvoudige mishandeling had juridisch gezien meer inhoud.
Verdachte had 'opzettelijk en met kracht' zijn zwager met 'twee tot
vuist gebalde handen' enige slagen aan het gelaat toegebracht,
waardoor aan beide ogen paarsblauwe verkleuringen waren ontstaan.
Bovendien verklaarde de zwager plechtig, dat de vuistslagen hem veel
pijn hadden bezorgd. Dat zat er dus wel in. De dierenmishandeling
bleek tot mijn verbazing toegebracht aan een goudvis. Het dier was
wild uit zijn kom geslagen en had uiteindelijk op het witte wollen
berbertapijt 'zieltogend' de geest gegeven. Zo stond het er.
'U bent nogal tekeergegaan,' opende ik.
Hij trok zijn brede schouders op. 'Och,' sprak hij gelaten, 'het is
wat uit de hand gelopen.'
Ik bekeek zijn antecedenten. 'U bent nog nooit met de politie in
aanraking geweest.'
Hij schudde zijn hoofd. 'Ik ben ook niet zo'n woesteling. Echt
niet.' Hij drukte zijn rechterhand horizontaal tegen zijn
adamsappel. 'Maar het zat mij tot hier.' Hij verschoof iets op zijn
stoel. 'Mijn vrouw houdt een goudvis in een kommetje... u weet
wel... zo'n bol glas in een netje aan het plafond en daarin dan zo'n
gele drooghapper.
Een broer van haar, mijn zwager dus, heeft het opgehangen. Stom.
Trouwens, het is een vent van niks. Zolang ik hem ken - en dat is
toch al een jaar of twaalf - loopt hij in de ww of trekt van Sociale
Zaken. Hij werkt nooit. Maar mijn vrouw loopt met hem weg. Het is
Henkie voor en Henkie na. Zeg geen kwaad woord over Henkie, dan kan
ik een maand lang net zo goed in het logeerbedje gaan slapen.
Begrijpt u, ze straft onmiddellijk.'
Ik knikte ernstig. 'Dus bent u lief voor Henkie.'
'Hij is er bijna dag en nacht, meneer. Maar ik hou mij in. Ik
beheers me.
Kijk, die kom, die viskom hangt veel te laag. Niet voor hem en niet
voor mijn vrouw. Dat zijn onderdeurtjes. Maar ik stoot er
voortdurend mijn hoofd aan. Ik heb een hele kuitenkop, zoveel bulten
heb ik de laatste weken opgelopen. Ik heb al honderdmaal gezegd,
hang die kom wat hoger, het beest schrikt zich steeds een
rotberoerte. Maar nee, Henkie had hem opgehangen en wat Henkie doet,
is welgedaan. Toen ik vanavond weer mijn kop stootte, werd ik woest.
Ik rukte de kom los van het plafond en smeet hem door de kamer.
Direct zag ik die blik van mijn vrouw en tegelijk wist ik hoe laat
het was.'
'Het logeerbedje,' begreep ik.
Hij knikte traag. 'Toen heb ik mij zelf maar effe laten gaan,
meneer. Helemaal.' Hij spreidde beide armen. 'Een mens moet
tenslotte zijn energie ergens aan kwijt.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|