Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 83

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 1
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Driehonderdvijfenzestig gulden

 

Ik had de brief een paar maal overgelezen. Het was een klacht, gericht aan de heer Officier van Justitie. Ik had hem van de commissaris gekregen, 'ter behandeling' zoals dat heet. Hij was afkomstig van een man, die meldde dat hij door zijn eigen dochter was bestolen voor een bedrag van driehonderdvijfenzestig gulden. Hij verzocht de heer Officier van Justitie - indien daartoe termen aanwezig waren - zijn dochter ter zake deze diefstal strafrechtelijk te vervolgen. De brief was geschreven in een streng ambtelijke stijl en kennelijk opgesteld door een advocaat of een juridisch adviseur, althans door iemand die wist in welke bewoordingen een dergelijke klacht moet zijn vervat.
Vermogensdelicten, zoals diefstal, gepleegd door naaste familieleden, kan men niet zonder meer bij de politie aangeven. Ook als de politie zelf bij een onderzoek een dergelijk feit tegenkomt, kan zij niets ondernemen. Dat kan alleen na een klacht van het benadeelde familielid. En dat is een goed ding. Men kan door die bepaling 'schoonheidsfoutjes' in de boezem van de familie behandelen en de rechter erbuiten houden. Dat gebeurt ook meestal. Daarom ... de brief verwonderde mij en gaf mij een gevoel van onbehagen. Welke vader wil zijn eigen dochter in de gevangenis?
Ik schatte hem op achter in de veertig; een lange, slanke bijna magere man met een vaalbleek gezicht en fletsblauwe ogen onder een paar borstelige wenkbrauwen. Hij was wat ouderwets gekleed met een 'Eden'-hoed en een donkerblauw streepjespak met vest. Uit zijn borstzakje bolde zwierig een witzijden pochette.
Zijn voorkomen was niet van deze tijd. Het had iets onwezenlijks. Maar het was omgeven met een zekere charme een vleugje distinctie dat prettig aandeed.

Hij boog vormelijk in mijn richting. 'Rechercheur... ?'
Hij noemde mijn naam.
Ik knikte en gebaarde naar de stoel naast mijn bureau. 'Gaat u zitten.' Ik haalde de klacht uit de la en legde die voor hem neer. 'Is die brief van u?' vroeg ik wat bits.
Hij nam bedaard zijn bril uit een koker en bekeek het epistel met aandacht. 'Die is van mij, ja.'
'U kent de inhoud?'
'Uiteraard.'
Ik nam de brief weer weg. De zaak had mijn sympathie niet. Ik voelde er weinig voor aan de klacht gevolg te geven. Vrijwel vanaf het moment dat ik het epistel in handen kreeg, had ik mij zelf voorgenomen de vader ertoe te brengen de klacht tegen zijn dochter in te trekken. Ik begreep dat ik toch eerst wat van de achtergronden zou moeten weten.
'Ik neem aan,' zo begon ik, 'dat u de brief niet in een opwelling hebt geschreven?'
Hij schudde het hoofd. 'Integendeel, het was weloverwogen. Mijn vrouw en ik hebben er heel lang over nagedacht. Ze is onze enige dochter en we houden heel veel van haar.'
Ik keek naar hem op, vroeg mij af of hij schertste.
De man glimlachte mij toe. Het was een vermoeide glimlach. 'Dat klinkt ironisch, vindt u niet?'
'Nogal,' bekende ik.
Hij zuchtte. 'Welke ouders verzoeken een strafrechtelijke vervolging tegen hun eigen dochter, van wie zij beweren erg veel te houden? Ik begrijp best dat u mijn klacht met gemengde gevoelens hebt gelezen.'
'Het is niet gebruikelijk,' zei ik ontwijkend, 'dat ouders hun eigen kind naar de rechter sturen.'
'U' kent onze dochter?'
Ik haalde mijn schouders op. 'Ik denk niet, dat ik haar ooit heb ontmoet.'
Hij tastte in zijn binnenzak naar zijn portefeuille. Zijn bewegingen werden levendiger, actiever. Op zijn bleke wangen kwam wat kleur. 'Kijk, hier was ze vijf.'
Hij gaf mij een fotootje van een echtpaar met tussen hen in een kleuter; een meisje met lange zwarte pijpekrullen in een pronkjurk.
'En hier was ze tien.'
De foto's volgden elkaar snel op. Een bonte collectie plaatjes met steeds hetzelfde kind als middelpunt.
'En zo was ze tot een halfjaar geleden.'
Hij gaf mij het portret van een jonge vrouw; een lief ovaal gezichtje, omlijst door lang zwart haar dat midden op het hoofd was gescheiden. Zij kwam mij vagelijk bekend voor, maar ik wist niet in welk vakje van mijn herinnering ik haar moest onderbrengen.
'Hoe vindt u haar?'
'Heel mooi,' zei ik.
Over zijn smal gezicht gleed een glans van vertedering.
'Ze lijkt op mijn moeder. Ik heb thuis nog portretten uit moeders jeugd... hetzelfde gezicht. Uit de grap hebben we het haar van Angelica - ze heet Angelica, mijn dochter - gekapt zoals mijn moeder het vroeger droeg. Het was frappant... die gelijkenis.'
Zijn gezicht versomberde. 'Mijn moeder is vorig jaar gestorven. Ik ben blij, dat ze dit niet meer heeft meegemaakt.'
'U... eh, u bedoelt die klacht?'
Hij staarde droevig voor zich uit. 'Die klacht, ja.'
Ik kauwde op mijn onderlip. 'Er is,' zei ik aarzelend, 'voor de diefstal van het geld toch wel een andere oplossing mogelijk?'
Hij streek met zijn hand door het haar.
'Voor de diefstal van het geld... ja, daarvoor is wel een andere oplossing mogelijk.' Hij keek naar mij op. 'Het gaat helemaal niet om het geld.' Hij gebaarde wat wild. 'Ik wil haar nog wel duizend gulden toegeven... tienduizend. Alles wat ik bezit. Wat interesseert mij geld.'
Ik keek hem wat verward aan. 'Maar u schrijft een klacht...'
Hij knikte traag. 'Het is een noodsprong. Zo moet u het zien. We hebben al van alles geprobeerd, mijn vrouw en ik. Wij hebben uitvoerig met haar gesproken... zachte woorden, harde woorden... we hebben haar van alles beloofd. .. we hebben de ouderlingen van onze Kerk op haar afgestuurd... de dominee... niets hielp.'
Hij aarzelde. 'Ziet u, Angelica is een... eh, een... eh, ze... eh, ze zit in het leven, al ruim drie maanden. Een half jaartje geleden is ze van ons weggelopen. Ze nam haar kleren mee en... moeders huishoudgeld.'
'Driehonderd en vijfenzestig gulden.'
'Ja. We dachten dat ze naar het buitenland was gegaan, naar Parijs, daar had ze het weleens over gehad. We informeerden overal, maar niemand wist waar ze was. Goed drie maanden geleden kwam een vriend ons vertellen dat hij haar had gezien. .. achter een raam op de Walletjes. Ik wilde hem niet geloven. Je moet je vergissen, zei ik.'
Hij pauzeerde even.
'Op een avond ben ik zelf gaan kijken. Ik had lood in mijn schoenen, geloof me. Ik kon haar eerst niet vinden, en in mijn hart hoopte ik dat mijn vriend zich toch had vergist. Maar plotseling zag ik haar. In een soort souterrain. Ze schoof net het gordijn van haar . . . eh, boudoir weer open.'
Hij sloeg zijn handen voor het gezicht.
'Het is een ervaring, meneer, als je je eigen dochter als koopwaar ziet. Ik was er kapot van.'
Een paar minuten spraken we niet. Ik nam de brief in mijn handen en las bijna mechanisch de zinnen in streng ambtelijke stijl. 'Wat wilt u nu met die klacht?' vroeg ik nietbegrijpend.
De man zuchtte diep. 'Angelica is een goed kind, ik bedoel, van inborst. Ze leeft nu in een roes, in een onwerkelijke wereld, een wereld die haar geen tijd geeft voor bezinning. We dachten, als ze voor die diefstal een poosje wordt opgesloten, dan zal ze zeker tot inkeer komen.'
Ik keek hem aan. Ik wilde hem zeggen, dat ik er niet in geloofde, dat ik nog nooit iemand als een beter mens uit de gevangenis had zien komen. Ik deed het niet. In plaats daarvan zei ik: 'U wilt de klacht dus laten doorgaan?'

Hij knikte nauwelijks merkbaar.
Terwijl ik met een collega zijn dochter van de Walletjes haalde, bleef de man op het bureau. Het was op zijn eigen verzoek. Hij had mij gevraagd of hij haar zelf mocht uitleggen waarom hij die klacht had ingediend. En ik zag niet in waarom ik hem dat zou weigeren.

Ze was niet meer de jonge vrouw van de foto. Ze was veranderd, nauwelijks nog te herkennen. Het zwarte haar stak als een toeter op haar hoofd en in haar dik geschminkt gezicht lagen harde trekken.
'Wat heb ik gedaan?' vroeg ze.
'Gestolen,' zei ik kort. 
'Van wie?'
'Van je ouders.'
Een moment was ze sprakeloos.
'Van mijn ouders?'
Ik knikte.
'Driehonderdvijfenzestig gulden. Je vader heeft een klacht ingediend.'
Ik bracht haar rechtstreeks naar de recherchekamer. Toen ze haar vader in het oog kreeg, leek het alsof ze explodeerde. Ze sprong als een furie op hem toe. 'Verrader,' siste ze, 'gemene verrader.'
Ik pakte haar vast en hield haar met moeite in bedwang.
Haar opgekropte gemoed ontlaadde zich. Ze schreeuwde het uit. 'Verrader, gemene verrader... met je rottige driehonderdvijfenzestig gulden. Je eigen kind bij de politie aangeven...
Ze spuwde voor hem op de grond. 'Elke cent zal ik je terugbetalen. . . hoor je, elke cent.'
Mijn collega nam haar van mij over en bracht haar naar het dagverblijf. Ik liep op de vader toe. Hij zat ineengedoken op een stoel. Langzaam keek hij omhoog. Zijn ogen waren vochtig. 'Het spijt me van al het werk, rechercheur, van al de moeite.' Hij sprak zacht, bijna fluisterend. 'Ik heb mij vergist. Ik trek mijn klacht in.'
Toen de man was vertrokken, riep ik Angelica bij mij. Ik legde haar uit dat zij haar vader onrecht deed, dat hij het beste met haar voor had, dat hij die klacht alleen maar had geschreven om haar gelegenheid te geven tot bezinning... bezinning op haar eigen situatie.
Ze keek me aan terwijl ze schamper lachte. 'En dacht hij dat hij mij daarmee uit het leven kon halen?'
'Dat dacht hij... dat dacht hij oprecht.'
Ze schudde grijnzend het hoofd. 'Vader is altijd al een dromer geweest.'
Ze keek op de klok en stond op. 'Kan ik nu gaan? Ik mis anders mijn beste klantjes.'
'Je kunt gaan,' zei ik.
Ze tippelde snel de kamer uit. Haar hoge hakjes maakten een klikkend geluid op het zeil.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week