|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Avondje uit
Hij droeg een keurig donkerblauw kostuum met een
roze pochette in de borstzak. Volanten van een zijden overhemd
puilden zwierig uit de mouwen. 'Ik kom aangifte doen.'
'Wat is er gebeurd?'
Hij verschoof iets op zijn stoel. 'Ik was vanmiddag in de stad,'
begon hij. 'Ik kom hier vrijwel nooit. En als ik hier ben, ga ik
bijtijds weer weg. Ik had ook nu voor de avond viel naar huis moeten
rijden, maar ik dacht: Laat ik het eens bekijken.'
'Wat?'
'De rosse buurt... de Zeedijk. Ik wilde het eens zien... meemaken.
Op de Zeedijk ben ik een café binnengestapt. Het was een gezellig
bruin café. Aan de bar zaten een paar kerels. Daar ben ik tussen
gaan zitten. Naast mij zat een joviale vijftiger. Ik raakte met hem
in gesprek. Hij was een prettig causeur, die jenever dronk als
water. Plotseling viel zijn oog op mijn horloge.
"Dat is een mooi klokkie,"zei hij. "Ja, "beaamde ik, "het is
platina. Het heeft ruim achttienhonderd gulden gekost."
De man klakte met zijn tong. "Mag ik het eens zien?" vroeg hij. Ik
deed het af en liet het hem zien. Ook de andere kerels aan de bar
wilden het horloge eens bekijken. Ze gaven het aan elkaar door.'
'Plotseling was het weg,' onderbrak ik.
Hij knikte met een droef gezicht. 'Het was verdwenen. Niemand had
het. Ik ging naar de vent bij wie ik het horloge het laatst in
handen had gezien. Ik zei: "Geef mij mijn horloge." De man zei dat
hij mijn horloge niet had. Ik zei: "Ik heb het toch zelf gezien."
Toen zei de man: "Maak jij mij uit voor leugenaar?" Ik zei: "Ja, u
hebt mijn horloge." Toen werd die vent kwaad en haalde uit.'
Hij voelde aan zijn linkeroog. 'Het kwam hard aan. "Ik ga naar de
politie," riep ik en liep het café uit. De man die naast mij had
gezeten kwam mij achterna. "U moet er geen politie bijhalen," zei
hij vertrouwelijk. "Dat vinden de jongens hier in de buurt niet
leuk. En het geeft toch niets. Misschien kan ik u helpen. Ik ken de
jongens goed. Ik wil wel met ze praten. Als u mij honderd gulden
geeft, dan zorg ik ervoor dat u uw horloge terugkrijgt."
Ik had er eerst weinig oren naar, maar de man zei
dat hij mij echt niet zou belazeren. "Geef even uw pen," zei hij,
"dan geef ik u mijn naam en adres." Hij haalde een agenda uit zijn
zak en gaf mij zijn adres. "Als u over een uurtje bij mij thuis
komt, dan heb ik uw horloge." '
'U gaf hem honderd gulden?'
'Ja. Het ging tenslotte om een horloge van achttienhonderd gulden.'
'En toen?'
'Ik heb het niet kunnen vinden.'
Hij haalde een papiertje uit zijn broekzak en gaf het mij. Jansen,
stond er, Puitaalsteeg 3.
'Logisch,' zei ik. 'Die steeg bestaat hier niet.'
De man liet zijn hoofd tussen zijn schouders zakken en ik pakte de
schrijfmachine. Toen ik zijn verklaring had uitgetikt, legde ik hem
deze ter ondertekening voor. De man tastte naar zijn binnenzak. Ik
zag dat hij verbleekte.
'Wat is er?' vroeg ik geschrokken.
Hij keek mij aan. Het paarse linkeroog halfopen.
'Nou heeft hij mijn gouden pen ook nog.'
Het klonk oneindig triest.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|