Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 96

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 2
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

De kist

 

Onlangs hoorde ik dat mijn oud-collega Joris Jansma heel vredig was ontslapen. Hij werd drieè'nzeventig jaar. En dat is een respectabele leeftijd. Politiemensen worden in de regel niet zo oud.
Jansma was in zijn tijd een bekend figuur. Rond zijn persoon zweefde in het korps tal van verhalen - meest komische vertelsels, waaruit zijn enorme onnozelheid bleek.

Ik heb agent Jansma goed gekend. Hij was een grote, brede man met de kracht van een beer. Ik geloof niet dat hij zo onnozel was als zijn imago deed vermoeden. Hij bezat een blijmoedige hartelijkheid, die hem eenvoudig ongeschikt maakte voor het ambt.
Hoewel hij er dagelijks mee werd geconfronteerd, bleef hij weigeren te geloven dat er mensen waren die zich slecht gedroegen. Argwaan en wantrouwen waren hem vreemd.

Op een donkere nacht surveilleert Jansma heel statig met zijn dienstrijwiel door een van die lange straten in de Amsterdamse Pijp. Langs de gevels sjouwen twee mannen met een zware kist. Als ze de politieman zien, blijven ze staan en zetten de kist neer.
Jansma nadert met een vriendelijke glimlach om de mond.

'Zo... nog laat op stap?'
De langste van de twee mannen wist zich het zweet van het hoofd en wijst naar een verlicht raam verderop in de straat. 'Nog een klein rukkie.'
Hij buigt zich vertrouwelijk naar Jansma toe. 'Ik had vorige week bonje met mijn vrouw. Ik heb toen wat spulletjes van me bij elkaar gepakt en ben kwaad vertrokken. Vanmorgen ben ik haar in de stad tegengekomen en toen hebben we ons weer verzoend.'

'En nu gaat u weer met uw spulletjes terug?'

'Precies, agent, zo is het.'
De beide mannen pakken de kist weer op en lopen verder. Jansma kijkt hen na en ziet hoe de mannen moeite hebben de zware kist te torsen.
'Zeg,' roept hij, 'wacht even. Als jullie die kist nou op mijn dienstrijwiel zetten, dan hoefje niet zo te sjouwen.'

De beide mannen knikken dankbaar om het idee en met vereende krachten wordt de kist op het rijwiel gezet.

Als het karwei is geklaard, zegt de kleinste tegen zijn maat: 'Ik ga nu maar. Je redt het verder wel. Je hebt goede hulp.' Jansma en de lange wuiven hem na.
Het vervoeren van de kist per dienstrijwiel blijkt inderdaad een peuleschilletje. Bij een deur blijft de lange staan. 'Hier is het.'
Ze zetten de kist op de straat.
'Agent,' begint de man wat aarzelend, 'ik. .. ik ga eerst even alleen naar binnen. Ziet u. ik heb pas ruzie gehad en als ik nu zo plompverloren met een diender binnenkom...'
Jansma knikt begrijpend. 'Ik pas wel zolang op de kist,' zegt hij behulpzaam.

De man verdwijnt door de deur.
Tweeëneenhalf uur later maakt de brigadier van de wacht zich zorgen. Jansma had al lang van zijn ronde terug moeten zijn. Hij kleedt zich aan en samen met een diender gaat hij op zoek. Hij vindt Jansma in een van de lange straten in de Amsterdamse Pijp. Rustig, de benen iets uit elkaar, houdt hij de wacht bij een kist.

Als de brigadier het verhaal van Jansma heeft gehoord, trekt hij wild het deksel omhoog. De kist is tot de rand gevuld met de buit van een verse inbraak.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week